Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

In- ende wt-tocht (II)

Dit is het vagevier vol eysselijcke pijnen,
Daermen een lange wijl niet anders en vernam
Als neveligen roock, en swavelige vlam,
Die seer erbarmelijck de sielkens dede quynen.

Hier hebben haer verlost twee oude Capucynen
Door bede, die tot in den papen-hemel clam,
Ten minsten, Dufourdin die wel ter ooren nam,
En liet de clare son de sielkens weer beschynen.

Het vagevier gaet Op, de geesten comen uyt,
Hoe root is haer gesichtl hoe swart is hare huyt!
S'en sijn niet al te reyn. ick ducht van harentwegen

Datse de leste loog' niet hebben noch gehat;
En sommige van haer weer vliegen nae een gat
Daermense mogelijck wat beter noch sal vegen.


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie,[s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Blytschap op de veroveringen vant geweldich fort van 's-Gravenweert den laetsten april anno 1636 (6)


Coster-pagina