Jacobus Revius (Jakob Reefsen)1586-1658

Kinder-moort

   Doe den gecroonden wolf de schaepkens nieu-geboren
Met zijnen wreeden muyl te Bethlehem verslont,
Een clagelijck geschrey steech vander aerden gront
En quam ten hemel in voor Gods gerechte oren.

   Een vliegende geswerm der engelen vercoren
Ontvinck den cleynen hoop geplettert en doorwont,
En nam de witte siel van haren roden mont
Die stellendâ onbesmet Gods aengesicht te voren.

   Hoe cort was haren tijt in droevich tranen-dal!
Hoe groot is hare vreucht die eeuwich dueren sal!
Hoe loven zy de Heer haer gonstigen weldader!

   Sy gingen haestlijck int leven door den doot,
Gerucket onverwachtwt hares moeders schoot,
Gedragen inden schoot van haren liefsten Vader.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Coster-pagina