Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Bloedig sweet

   Trage siel, die in my slaept
Geeut en en gaept,
Wilt u bruygom niet vergeten.
Waket op, en comt hem dra
Volgen na
Inden hof van Oliveten.

   Siet hoe hem u Schepper buckt,
Ondrdruckt
Door u eysselijcke sonden.
Siet hoe hem sijn teere huyt
Berstet wt
In wel duysent-duysent wonden.

   Ah! sijn sweet is enckel bloet
Met een vloet
Stralende van sijne leden
Ah! de aerde drinckt haer sat
In het nat
Sijpende van zijne treden

   En my dunckt dat ick aenschou
Desen dou
Opwaerts inde bladen trecken;
Was tâangierken niet snee-wit,
Dat nu sit
Oversaeyt met bonte plecken?

   Tâblonde roosken gloeyt sijn schoot
Sangels-root;
En de bleecke Tulibanten
Sijn verkeert (of droomtet my?)
Op de ry
In gemengde flamboyanten.

   Maer een bloem int duyre bloet
Opgevoet
Sie ick wter aerden comen;
O hoe lieflijcken bloem!
Die den roem
Allen cruyden heeft benomen.

Godes milde goedichheyt
Wtgebreyt
Over die de sonden rouwen
Is haer alder-soete naem,
Hullepsaem
Diese met geloof aenschouwen.

   Droeve siel, die in my weent,
Sucht en steent
Wilt dees bloeme niet vergeten;
Ider hofken dat ghy siet
Draechtse niet
Maer de hof van Oliveten.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Coster-pagina