Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Tranen-vloet (1)

Soo haest Urania, van 'sPrincen lof te spreyden
Door 'swerelts ommeloop, haer meyninge ontboot,
En Heinsius in const en alle talen groot
Tot dit verheven werck hem dachte te bereyden,
Phebus, dat merckende dreef zijn gespan na Leyden
En bracht hem metter vaerd' de bootschap vande doot
Des Sweetschen Cesars, die door een onsalich loot
Gesneuvelt, oorsaeck was dat aerd' en hemel schreyden.
Dit maeckte dat de pen hem wt de handen viel.
Wat doedy, Loxial? moogdy ons gra'ge siel
Van sulcken meester-stuck afgunstelijck beroven?
Of vreesdy dat sijn dicht, indien het boven aen
Den hemel by den rey der sterren quam te staen,
Van uwe gulden toorts de claerheyt sou verdoven?


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Tranen-vloet op de droeve doot des alderdoorluchtigsten, groot-machtichsten ende groot-dadichsten Gustavi Adolphi,der Sweden, Gotthen en Wenden conincx

Coster-pagina