Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Tranen-vloet (IV)

Ah! wildy van ons gaen? o Vader, Vader, Vader!
O wagen Israels en sijne ruytery!
Ick weet dat daer om hooch u erfenisse zy.
Ghy vliegt dat schoon paleys al nader en al nader.

Maer siet eerst onsen Prins dien grooten wonderdader
Het edel Gelderlant en Brabant maken vry
Vant Oostenrijcksche jock en wreede slaverny.
Den hemel wacht u doch, al comdyer wat spader.

Hebt oock aen dese eer u aendeel, als ghy plaecht,
En neffens onsen Vorst de Spanjaerden veriaecht,
O stoute wapentuyr, o deftigen berader.

Maer neen, ghy achtet al dees aertsche woeling niet,
Dewijle ghy aldaer veel grooter saken siet.
Ah! wildy van ons gaen? o Vader, Vader, Vader!


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Tranen-vloet op de droeve doot des alderdoorluchtigsten, groot-machtichsten ende groot-dadichsten Gustavi Adolphi,der Sweden, Gotthen en Wenden conincx

Coster-pagina