Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Tranen-vloet (VI)

Den stijl is neergestort, de ceder is gevellet
Die schaduw' maeckte aen der vromen cleyn getal.
Hy is verloren die men niet weer vinden sal
Of men tot in het graf sich pijniget en quellet.
De doot heeft ons verrae'n, de doot heeft ons versnellet
Ons nemende een schat die in dit jammerdal
Met cloeckheyt, met gewelt, met bede, noch met al
Des werelts gelt en goet niet werden can herstellet.
Ons borst gevullet met een nevel van verdriet
Door onse ogen een geduyrich water giet
Niet latende 'tgemoet een weynichsken bedaren.
Ah Heer, die alles schickt na uwen wijsen raet,
Hoe comtet dat soo haest in eenen dach vergaet
Daermen na heeft gejanckt soo veel voorleden jaren?


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Tranen-vloet op de droeve doot des alderdoorluchtigsten, groot-machtichsten ende groot-dadichsten Gustavi Adolphi,der Sweden, Gotthen en Wenden conincx

Coster-pagina