Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Tranen-vloet (VII)

Heldinne hoochbedroeft, o Vorstelijcke Vrouwe
Die nu in tranen wascht dat mannelijc aenschijn,
'k En derr' niet onderstaen te roeren uwe pijn,
U sieckte is te versch, te bitter uwen rouwe.

Wanneer Castiliën sal knielen voor Nassouve,
Den Arent voor den Lecu, de Tagus voor den Rijn,
Wanneer u Soonen bey beroemder sullen sijn
In wapenen als hy die u was soo getrouwe,

Indien u dan een tong' begavet wt de hoochd'
Gods heylich wel-gevall eerbiedichlijck vertoocht
Soo mach na langen tijt dien groten druck genesen.

Of is het (als ick vrees') dat ghy, so lang ghy leeft,
Geen blijtschap in u hert of oren plaetse geeft,
Ten minsten sal de smert wat dragelijcker wesen.


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Tranen-vloet op de droeve doot des alderdoorluchtigsten, groot-machtichsten ende groot-dadichsten Gustavi Adolphi,der Sweden, Gotthen en Wenden conincx

Coster-pagina