Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Tranen-vloet (IX)

Hier leyt hy die verliet sijn vaderlijcke stranden
Niet soeckende den roof van vremder Heeren goetb
Maer wt een Conincklijck eer-lievende gemoet
Begerich door Gods cracht te lossen onse banden,
Die den gecroonden wolf dreef wt ons vrye landen,
En duytschlant heeft bevocht met een gemengde vloet
Van zijner vyanden en van sijn eygen bloet,
Niet weygerich voor ons sijn leven te verpanden.
Die siende'sKeysers heyr vergruyset als het caf
Sijn siele blydelijck den Schepper overgaf
En sulcken eelen doot hiel voor sijn grootste winste.
Wiens name nu soo hooch als Phebi wagen climt
In wien de luyster schoon van alle deugden glimt,
Het Conincklijck geslacht dat is het alderminste.


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Tranen-vloet op de droeve doot des alderdoorluchtigsten, groot-machtichsten ende groot-dadichsten Gustavi Adolphi,der Sweden, Gotthen en Wenden conincx

Coster-pagina