Jacobus Revius (Jakob Reefsen) 1586-1658

Verraet

Als Christus met sijn jongeren te gader
Geseten was in d'alderlaetste nacht,
Hier is de uyr, sprack hy, so lang' gewacht
Dat door de doot ick trede totten Vader.

Geen hertenleet, o vrienden, comt my nader
Als dat den man die my te volgen placht
Om t'aertsche goet het eeuwige veracht,
En wort aen my een schandelijck verrader.

Iscarioth u boosheyt ick wel weet.
Neemt noch van my dien minnelijcken beet,
En scheyt daermee terstont van dese elven.

Des menschen Soon sich geerne overgeeft;
Maer t'waer u goet en haddy noyt geleeft.
Ghy wint het gelt, en ghy verliest u selven.


Bron: Bloemlezing uit de Over-Ysselsche Sangen en Dichten van Jacobus Revius / J. Revius, W.J.C. Buitendijk, J. van Vloten. - Derde oplage. - Zutphen : W.J. Thieme & Cie, [s.a.]. - (Klassiek Letterkundig Pantheon ; 78)
Bundel: Over-Ysselsche sangen en dichten. - Deventer, 1630/1634

Coster-pagina