HUWELIKSDICHTJE

In het midden van de feeste,
van het spelen en 't gezang,
't vlugge klappen, 't vrolik lachen
en der bekers hel geklang,

Schouwende over 't levend feestmaal
zit de blanke Poëzij,
en 't gemoed vol zoet bewonderen,
kijkt en zwijgt en mijmert zij.

Zij bewondert 't werk des Heeren
die, waneer de Mensch daar stond,
nieuw geschapen, sprak: "Niet eenzaam
weze hij," en dien slaap hem zond,

Wondren slaap wiens heime werking
uit den man de vrouwe baart,
en tot eèn harmonisch wezen
macht en zoete teêrheid paart.

Zij bewondert 't werk des Heeren
die gedurig herwaarts zendt
zielen voor elkaâr geboren
en -- de kracht van 't Sakrament.

En zij spreekt: "Gij nieuw Getrouwden,
wilt onthouden dezen dag
die bij 't trouwen u zoo zalig
op elkanderen lachen zag;"

En ten hemel stijgt haar bede:
"Heer, dat zij in trouwe en vrede
lange jaren slijten samen."
Zegt daarop nu allen: " Amen."


Albrecht Rodenbach
(1876)


Ingezonden door Vital Debroey
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster