DER WALKUREN RID

vrij naar een tooneel uit Wagners RING DES NIBELUNGEN

Een ijzelike storm woedt over aarde en wolken.
't Verward geluchte wervelt in de onmeetbre kolken
des hemels. Grijze wolkgevaarten ijlen rond
de fel gezweepte rots die siddert in den grond.
De aloude wouden nijgen, kraken, zuchten, huilen.
De beren en de wolven zwijgen in hun kuilen.
Hoor, stemmen schreeuwen in de verte door de lucht
en naadren, naadren, soms verloren in 't gerucht
des storms. 't Is joelen, schetterlachen, onderwijlen
met het gebriesch doormengd van rossen in het ijlen,
en wapenklanken en vervoerend hoorngeschal.
De Speremeiden rijden onder 's hemels hal.
Zij geren wilden rid door storm en wolkgevaarte.
Hun haren schijnen vlammen in de vale klaarte
die valt van tusschen 't wervelen der grijze lucht.
Zij huilen van genot, en slaan in hunne vlucht
het rinklend klinkend schild met blixemende zweerden.
Hun tieren jaagt hun dikgemaande reuzenpeerden:
zij ijlen hijgend, steigrend, door den storm verblind,
en schudden brieschend roste manen in den wind.
Van tijd tot tijd grijpt elk den tuithoorn, en 't geschal
deunt dondrend door de lucht en over berg en dal.
Zij rijden door den storm naar hun gewone rotsen.
Daar staan zij vaal en bloot. De rossenpooten botsen
op de eeuwenouden steen die davert, dreunt en berst,
wijl hier end daar een weźrlicht onder d'hoeven sperst.
En daar staan de eerste nu op d'hooge rotsetinnen,
wijl door den storm gezweept de wolken rond hen rinnen;
zij doen hun rossen steigren, springen hoog en wild,
zij tuiten in den hoorn en klinken op het schild,
zij schudden hunne gouden lokken om hun lenden,
en roepen door 't orkaan naar de overige bende,
wiens antwoord nadert met haar bliksemsnelle vlucht.
En kreet en wederkreet schalt kruisend door de lucht.
"Ei! Helmwig! Waltraut! Schwertleid! Ortlind! heet dat draven?"
gaat 't op de rotse. "Zwijgt en wacht, bij Vaders raven!"
gaat 't in de lucht. "Berijdt ge een peerd of elk een worm?"
lacht Gunhild. "Brengen roof!" roept Helmwig uit den storm.
En wijl de wolke scheurt rondom den top gedreven,
voelt de afgrond in zijn schoot den voet der rotse beven
opnieuw door hoevenval geschokt, wijl blijde groet
met hoorn en wapenklank haar kuilen dreunen doet.
De benden woelen door elkaâr. De hoeven klettren,
de peerden brieschen, de reuzinnen vrolik schettren.
De wilde Waltraut, Wodans oudste wapenkind,
komt in haar dolle vreugd de haren in den wind
en grijpt de slanke Gunhild machtig om de lenden;
zij worstlen lachend, schudden, wringen, draaien, wenden,
maar blijven te orse. Helmwig roofde een dooden held,
zij vond hem, weer in hand, te midden 't bloedig veld,
op eenen lijkenhoop, en sloot hem in hare armen,
en toont hem haren zusters die rondom haar zwarmen.
En ziende hem daar liggen zoo 't een held behoort,
getroffen in de borst, den arm aan 't schild gekoord,
de spere nog in hand, den kamplust op het wezen
en 't dreigend dagen, zij verlangen hem verrezen,
verlangen dat d'half opene oog weêr stralen schiet,
d'half open mond weêr zinge 't dreunend krijgerslied,
en dat zij nevens hem in Wodans heldenhallen
zijn beker vollen -- Ei! wat is 't? Vier hoeven vallen
diep daavrend op den steen. Daar staat een hijgend ros,
vermoeid, verschrikt, de muil in schuim, den zadel los,
pal. Bronhild was te kort, Woźns liefste; buiten zinnen,
daar vliegt zij, bleek, ontsteld, bij hare gezellinnen.
Zij beeft uit al haar leden, kijkt verwilderd om,
wijst bachten haar, en zoekt of 't waar' zich in den drom
te bergen, als vervolgd' haar iemand. "O erbarmen,"
roept zij, "bescherm mij, zuster." En zij sluit hare armen
om Waltraut. "Wat gebeurt er?" roept de heele schaar
en troppelt wondrend medelijdend rondom haar,
"Wat schilt er?" En zij horkt door 't oorverdoovend leven
des wervelstorms, en zegt al hijgen en al beven:
"Beschermt mij, zusters: ik heb vader Woên misdaan."
En allen zien verstomd Woêns liefste dochter aan.
Zij schruwelt al met eens en zinneloos van smerte
klamt zich aan Waltrauts kniên. Woên nadert in de verte.
En de heldinnen bevend wegens Bronhilds lot
verwachten bleek van schrik den naderenden God.


Albrecht Rodenbach
(1877)


Ingezonden door Vital Debroey
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster