VELDSLAG

Twee vorsten zijn in veete en des
       twee legers aan het kampen,
twee volkeren aan het lijden van
       des oorlogs bloedige rampen.

Maar 't schijnt vorst A is zekeren dag
       blijmoedig opgestaan:
het zal een staatsman loos en boos
       van vrede spreken gaan.

Doch ondertusschen wemelen ginds
       de legers bont en breed,
terwijl elk legerhoofd zeer vroed
       zijn levend schaakspel reedt.

Eens morgens vangt het spel aan bij
       het schetteren der klaroenen
en krielen op onmeetbaar veld
       de levende pioenen.

Het dondert van alom. Een wolk
       spreidt stikkend over 't veld
en duikt hetgene een ijselik
       gerucht der wereld meldt.

Soms scheurt de wolk: een bende krielt,
       het dondert uit de verten,
de bende sluit, verdund, en stormt
       vooruit al lijken terten.

Ofwel, nog schrikkeliker, 't is
       een bots van schaar op schaar
die beiden maalt en plettert en
       versmeiert op elkaâr.

Soms meldt een jagend kletteren
       het stormen der schadronnen
ofwel een rollen doof en zwaar
       de vliegende kanonnen.

En als 't gerucht versterft, dan drijft
       de kruitwolke en ontdekt
allengs een wild verwoeste veld
       met lijken overdekt.

In hertverscheurend doof gezucht
       versmelten duizend smerten,
uit 't oosten rolt de kille nacht
       en 't laait in al de verten.

Intusschen droeg een afgezant
       traktaten welbezind,
doch 't kwam nog op geen vrede uit, want
       vorst B was slecht gezind


Albrecht Rodenbach
(1878)


Ingezonden door Vital Debroey
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster