ZEEGEZICHTEN

Eene maagd spreekt:

Hoe glanst in 't zonnelicht de blauwe zee
onmeetbaar -- O hoe groot -- hoe schoon -- hoe schoon...
Och, waarom weene ik nu? De lucht is rein,
de zee is blauw, hel glimt het duinenzand
in bakerenden zonnesching; 't is alles stil;
de bare aleen der rustelooze zee
zingt zoet en vreemd in zwijgende eenzaamheid.
En moete ik daarom weenen? Ben ik droevig?
Neen. Vreugdig ook niet. 'k Weet niet hoe ik ben
noch hoe de ontroering heeten die mijn keel
beklemt en daar iets snikken doet terwijl
de tranen in mijne oogen perelen.


Krijgsmannen spreken:

     Bij Raan! een donderslag!
De nacht rijst stormenzwanger aan de kimme...
De bare grauwt, onrustig rolt de zee,
de lucht betrekt, het waait een felle wind,
en meeuw en zeegier vliegen angstig strandwaarts:
het broeit een ongeweerte. -- Hoor! het zeerot!
begint reeds. -- En de doove donder nadert.
-- Een weêrlicht! -- Het begint. -- De hemel toornt.
-- In zee, in zee!


Eene maagd spreekt:

     O zie, wat vreemde nacht!
Een wolk gelijk een zwarte draak drijft langzaam
van voor de zilvren mane, en zilverachtig
glijdt zachtjes een onduidelik wolkenschof
den nevel in die lucht en zee versmelt.
Een aardig schemerlicht wiegt op de zee.
En lijk een reuzenrij aan strand gezeten
daar rijzen duinen, donker, onbeweeglik,
maar rillend soms en trillend of het ware
wen op hun donkerheid een lichte sching
komt zweven van de vuren uwer wikings...
O zie, daar is de maan; de wolke is weg;
zij schingt, zij schingt op ons en op den strande....
O zie, hoe schoon! Kom zet u hier bij mij.
Hoe zoet, hoe schoon.... De wolken trekken weg
en zilverig zwemt de mane in zuiveren hemel.
De baren dansen, glansend, schitterend.
De zee ligt als met perelen bestrooid
die zij al wiegen tintelen doet. De duinen
staan half verlicht en werpen lange schaûwen
op 't bleek verlichte strand. -- Is dat niet schoon?
Ik zie zoo geern den manesching. Gij ook?
Doch 't scheen mij nooit zoo zoet als nu. Toe! laat mij
hier nog wat liggen in dit zacht gesching...
Ik weet niet, maar het dunkt mij 't spreekt ons iets
aan ons getween van uit dien schoonen nacht.
Het overstroomt mijn ziel van vreemd genot,
zoo ongewoon, zoo zalig -- dat ik weene.

(Uit het drama Gudrun, 1e en 2e bedrijf.)


Albrecht Rodenbach
(1878)


Ingezonden door Vital Debroey
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster