Anthonis de Roovere (gest. 1482)

Van der mollenfeeste

Hoort, ghy goede lieden al ghemeyne,
Edele, onedele aerme ende rijcke,
Ghy zijt ontboden, groot ende cleyne,
Te trecken in een ander wijcke.
Hy is uutghesonden met zijnder pijcke
Des opperste Prinche messagier!
Maeckt u ghereedt, alle ghelijcke,
Ghy en muecht niet langher blijven hier.

Al in dat lantschap van den mollen
Moetty trecken, sonder waen;
Al wildy daer teghen stryen of grollen,
Ten mach u helpen niet te spaen.
Als de bode coempt, ít is ghedaen,
Hoe jonc, hoe schoone, hoe vroom, hoe wijs,
Als dí Opperste ghebiedt, soe moet ghy gaen
Trecken in ít landt van Mollengijs.

Der mollen Heere dí opperste prins,
Die de mol schiep, de blinde beeste,
Heeft ontboden haer en gins
Onder ít volck, minste ende meeste,
Dat sy commen ter mollen feeste,
Daer sy hof houden onder dí eerde.
Als dlichaem sal scheeden van den gheeste
Sal men elck dienen nae zijn weerde.

De Paus ende zijn Cardinalen
Moeten alle tdeser feesten sijn,
Legaten, Bisschoppen, Dekens, Officialen,
Prochiepape, Predicare, Jacopijn,
Freemineuren, Vrouwenbruers, ende Augustijn,
Priesters, Clercken ende Meesters wijs,
Deze moeten alle binnen corten termijn
Trecken ter feesten te Mollengijs.

Saertroosen, Monnicken, Regulieren,
Bogaerden, Lollaerden, ende Cluysenaren,
Fratres, wilt u ghereeden schiere!
Nonnen, Baghijnen, wilt mede varen!
Clopsusters, Susters Bedelaren,
Ende alle die leven nae den gheeste,
Maeckt u bereedt, sonder sparen:
Ghy moet al trecken ter mollen feeste.

Keyzers, Coninghen, Hertoghen, Graven,
Baenrotsen, Ridder, ende Jonckheeren,
Ende voort alle rijcke van haven,
Wilt u ít allen duechden keeren;
Want den wech die moetty leeren
Ter feesten te commene te Mollengijs:
Maeckt u ghereet, dat ghy met eeren
Daer muecht ontfanghen lof ende prijs.

Canceliers, Bailious, ende Souvereyns,
Schouthetens, Amptenaers, ende Dienaren,
Schepenen, Meyers ende Castelleyns,
Ontfanghers, Rentmeesters ende Wisselaren,
Hoofmeesters, die salen bewaren,
Portiers, Cocx (smaekt wel den keeste!)
Ende die edele Zeeman moet varen
Met zijnen schepe ter mollen feeste.

Ghy machtige Poorters ende Bourgeoys,
Ghy rijcke Pachters ende Rentenieren;
Al zijn u solders vol corens, vol hoys,
U kisten vol ghelts ende u fortchieren,
Ghy rijcke Cooplieden ende Drapenieren,
Al zijn u kusten vol meerssen, vol wollen,
Ghy sult oock moeten trecken logieren
In dat landtschap van den mollen.

De Coninck der mollen heeft doen ontbieden
Met zijn bode, stijf ende sterck,
Al tíeenemale de Ambachtslieden,
Dat sy oock moeten laten dwerck.
Dus rade ick elcken, dat hy neme merck
Om goede herberghe ende logijs;
Want, claer gheseyt, ghy moet in ít perck
Ten feesten commen van Mollengijs.

Der mollen Coninck heeft doen vermanen
Alle jonghe ghesellen fijn,
Met corte keerels, met langhen palanen,
Aen haer schoen ende aen haer pattijn,
Voort alle stortstekers, wie sy zijn,
Legt af u sweerden, u walsche dollen,
Want ghy moet, eer lanck termijn,
Trecken in ít landschap van den mollen.

Selden is volmaect de feeste
Daer vrouwen ghebreken ofte jonckvrouwen:
Dies zijn se ontboden, minste ende meeste,
Ter mollen feeste in goeder trouwen;
Langhe sleypsteerten ofte bonte mouwen
Noch tuyten en dorven sy hebben twint:
De mollen die daer haer feeste houwen
Sy en souden ít niet sien: sy zijn al blindt.

Dese meyskens zijn oock alle ghedaecht,
Die te vastenavonde pijpers hueren,
Eest dienstbode, voestre oft maecht,
Die haer voeten te dansene rueren;
Dese moeten wech, in corter uren,
Hoe jonck sy zijn, hoe blijde van gheeste;
Dit danssen, dit reyen mach hier niet dueren:
Sy moeten gaen danssen ter mollen feeste.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina