Anthonis de Roover (gest. 1482)

Sotte amouresheijt

Ick heete Pantken, mijn lief Pampoeseken,
Dat geerne een croeseken
Licht met vreughden, daert niet en gheeft.
Ghij en saecht ten daghen moijt blijder droeseken
Alst Appelmoesken
Sijn buijcxken al vol gheten heeft!
Ick mindse soe dat mijn herte beeft!
God wil se vercnapen
Want alle de sorghe, die in haer cleeft,
Dats eten en slapen
Men schreve niet in ses vellen van schapen,
Als ick haer wille een pintken schincken,
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

Tis in mijn herte een dijamantken
Ende huer callantken
Benick, eenpaerlijck sonder vercoelen:
Als ick met haer drincke en quantken,
„Godt loondtse, Pantken!”
Seydt zij gheringe, „dats blijde ghevoelen!”
—„Pampoesken”, seg ick, „voor al mijn boelen
Hebstu proper sede”.
Dan seegtse: „Pantken, laet staen dijn loelen:
Du foolster mede”.
Dan lachtse met rechter minnelijckhede:
Men soudes nemmermeer voldincken
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

Sij gaet met eenen bruijnen Coocxkene
Ende van den Roocxkene
Soe sijn haer handekens peperwit;
Haar mondeken dat rieckt van den loocxkene;
Van haren ghesprooxkene
Soe is ontsteken mijnre herten pit:
Waer Paesschen hier, door minnen verhit
Wij houweden ghereedt!
Ende als ick haer wille verclaren dit,
Lachtse duijmen breedt.
Hij en leeft niet, die ten vollen weet,
Als ick segghe: „Pampoeseken, gaen wij drincken!”
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

                                                Prince Ghelijcke treckt tot ghelijken:
Nature can selden haer helden mincken!
Ick en liete u nemmermeer vol ghelijcken,
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina