Samuel Coster (1579-1665)

Lof van ít landtleven

   Wys zijnse dieíer begeven,
Uit woekery der Steeden, en hier wenschen
   ít Lukzaligh Boere leven,
In heyloosheit begeert van alle Menschen,
   De Boer gerust
   Leeft na sijn lust
Uit Hofs oneenicheden,
   By sijn gebuuren
De Vogílen tureluuren
   Hem te vreden.

   Hy wil sijn hut niet ruylen,
Hoe slechtzí ook is, met Prinssen Hoven,
   Om datze moeylijk pruilen
Als díeen in staet den andren gaet te boven
   Want haer begeertí
   Altijdt vermeert,
En hy heeft goet genoegen
   Hy dankt de Goden,
En leeft in haer geboden
   Hoeze ít voegen.

   Nocht Princelijke wooningh,
Nocht Keyzers Hoet zoo lastigh om te dragen,
   En maeckt den Mensch geen Koning
Gerust van hert, zoo zondí ít gemoet doet knagen,
   En quaÍ begeeert
   De Ziele verheert,
Ey neen. En ít kan naeuw missen,
   Of zonden woonen
In ít midden van de Kroonen,
   Nae mijn gissen.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina