De schoolmeester (Gerrit vande Linde)
Om deze liefde treurt.
Vondel
Zijt gy op my vertoornd En als een stier gehoornd En slaat gy geenszins VIII Op mijne jammerklVIII? Het was in 1 en 50tig, ach! Dat Mina 't laatst u zag. Te Londen in "de koei" Zag zy, in Amers boei, Nog nauwlijks zestien jaar, U, Cannibaal! aldaar. Niet dat gy my toen opat; nee. Maar wel mijn zielevree. Neen, op 't Criesta-pelijs In 't aardrijks schatkist grijs, Daar zag ik veel te veel Van u, op Philomeel! Voor Wilhelminaas zielerust, Sints toen vaarwel gekust. Omdat gy sedert Een- En vijftig, heel gemeen, Geen taal of teeken geeft Of gy nog leeft, of sneeft; Daar toch geen schepsel ligt in 't graf, Of 't zond bericht vooraf. Wat is voor my op aard' Priëel of bloemengaard, Een hof, van ruikers vol, O snoode krullebol! Mijn neus, o Karel, que j'adour, Leent aan geen ruikers 't oor. Ik minde u reeds als een kind, Toen ik, van honger blind, De moederborst ontfing, Of op den leiband hing, En, zoo die leiband plotseling brak, Mijn neus in 't aardrijk stak. Of is 't u onbekend, Hoe gy mijn afgod bent, Dien ik veradoreer, En hoe, WelEedle Heer! Ik - immers voor zoo'ver ik weet - Nooit met een ander vreed.
Hoe 'k avonds op de gracht Soms uren op u wacht, En slechts u schim zie staan Voor 't raam met nachtgoed aan, Of, door 't gordijn u neus aanschouw, Een neus, my zoo ontrouw! Of hoe ik, minziek Turk! In een besneeuwde jurk Vaak 's Winters op den Dam Mijn jamren klagen kwam Aan die victiem op 't monument, O Turk! u wel bekend. Wen 's nachts in vleuglendosch De meeuw schalmeit in 't bosch En ik 't gevederd choor Mijn aandacht leen 't oor, Dan zocht ik tevens op mijn sprei: "Zoo klonk eens zijn schalmei!"
Wat heb ik u gedaan, O kallekoensche haan! Dat gy zoo nijdig ben, O blaauwbaard, op uw hen, En zoo'n gramstorig aangezicht Met sporen tot haar richt? Heeft men u soms vermoord, Of in uw vet gesmoord, Of u verempaleerd, Of anderszins bezeerd, Dat gy onlangs in uw portret Dat grimmig wezen zet?
Een zegen is 't voor my,
Dat ik zoo schuldloos zij,
Van top tot teen zoo pluis
Ja, net zoo maagdelijk kuisch
Als toen ik in de luren lag
En 't eerst uw oog my zag.
Ja, de onschuld, jongeling!
Is eerst een heerlijk ding
En was mijn hoofdsieraad
Van 's levens dageraad
Verleiding - schoon 'k er niet op snoef -
Vond Mina waterproef.
Geen forsche lijfstaffier,
Geen dienaar, Soudenier,
Geen Generaal van Geen
Vraagt Minaas vesting, neen;
Haar Citadel eischt geen Chassé:
Zy zeit eenvoudig: neê.
Mijn onschuld is berucht;
Daar ik de fuik ontvlucht,
Die my Cupido biedt
Met pieren in de vliet,
Een maagd op Amors pieren zot,
Vangt doorgaands niets als bot.
Wanneer ik soms de maan
Aan 's Hemels trans zie staan,
Dan denk ik: "Mina, gy
"Bent ruim zoo gaaf als zy,
"Daar u met dien en die mignon
"Toch nooit iets slechts begon."
Wat, jongling! mijne ziel
In u het meest beviel,
Was niet u huisjas-hair;
Het was uw lier, Tartaar!
'k Zag in uw kruin een valen knol,
Doch in uw brein Apol.
Het zonlicht reist en daalt;
Doch in mijn boezem straalt
Het levenslicht der min,
Dat end heeft noch begin,
Van ucht- noch avondschemering weet,
O grijze lierpoeet!
De zee met haar gebruisch
En buldrend golfgebruisch
Is 't kabblen van een vliet,
Die langs de biezen schiet,
Is 't ruischen van d'Eoolsche snaar,
By Minaas hartmisbaar.
O ziel met angst vervuld,
Als varkensworst met zult!
O ongelukkig kind,
Dat zoo'n Tartaar bemint!
- Ik deel my zelf dees toespraak meê:
't Is een apostrophé. -
Mijn hart met wee bevracht,
Wenscht thands u goede nacht,
Ofschoon bewust hiervan,
Dat ik niet rusten kan.
Het bed, waarop de wanhoop slaapt,
Gedoogt naauw dat men gaapt.
En, hoe verstokt gy bleeft,
Die nimmer aan haar schreeft,
Die toch, zoo lang zy leeft
Hoogachtend de eer steeds heeft,
Om, Totes Tuwes, in de hoop u weër te zein,
Te zijn,
(get.) Uw Willemien.
Voor kopy konform: De schoolmeester.
[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.