Vijfde brief van den Schoolmeester

De schoolmeester (Gerrit vande Linde)

Gelijk een Grootvorstin haar zonen,
  Op 't vorstlijk ledikant geteeld,
  Gestadig en verd... verveelt,
Wanneer zy, om hun vlijt te loonen
  Voor hen op 't draagbaar orgel speelt,
  Of iets uit Plato mededeelt:
Gelijk een ouderling zijn kind'ren
  - Wier dartel woelen en gedruisch
  Een molen maken van zijn huis
En in zijn ambtsberoep hem hind'ren -
  Naar zee zendt in een haringbuis:
Gelijk een jas, met lange mouwen
  En met een halskraag als een vlag,
Wel aan een klepper, zeer vekouën,
Maar geenszins aan de bloem der vrouwen,
  Vooral op haar geboortedag
  Van zestien jaren, passen mag:
Gelijk een man zijn zomersokken
  In 't herfstseizoen op 't aardrijk spreidt,
En in zijn vrouws flanellen rokken
  Op 't bed den wintermorgen beidt:
Gelijk een zuigling in de luren
  't Geheim der toekomst slecht bevat,
Schoon 't met zoo velerlei figuren
  Het linnen om zich heen bespat,
  Alsof reeds van zijn jeugdigste uren
  De Gelder hem had beet gehad:
Gelijk de terg der ezelinne
  Het blanke vocht der moederspeen,
  Doch d'ezelstommigheid meteen,
Naar binnen slokt der malle minne:
  Gelijk een talrijk huisgezin
  Met dertien kindren, vlug en wakker,
Meer brood eet dan een zieke bakker,
  Of zelfs een doode bakkerin:
Gelijk een logge plank, beschilderd
  Door d'ademtocht van 's kunstnaars ziel
  Met woeste zee en veege kiel,
Het menschlijk brein vaak heeft verwilderd,
  Wanneer ze op menschen-hersens viel:
Gelijk met kramppijn in de zijden
  En met een steenpuist in de pap,
Geen manke drost in 't baantjen-glijden
Of wel in 't sierlijk schaatsenrijden,
  Met beentjens-over voor de grap,
  Zich oefent op een steilen trap:
Gelijk een koets, vol eedle zielen,
  Door 't wisslend reisvermaak bekoord,
Met twee span paarden en vier wielen,
  Op 's Heeren weg of aan de poort
Eer dan op iemands winterhielen
  Of exteroogen 't huis behoort:
Gelijk een scheele zieketrooster
  Zich doorgaands hoogst bespotlijk maakt,
  Wanneer hy in een nonnenklooster
  Verliefd wordt en aan 't vrijen raakt:
Gelijk een vogel in zijn veêren
  Zich beter dan aan 't spit bevindt:
Gelijk een bruid voor 't respireeren,
  Het wandlen boven 't worgen mint:
Gelijk een hooge rechterschouder
  Den linkerschouder lager maakt:
Gelijk men wel door jaren ouder,
  Maar nooit door jaren jonger raakt:
Gelijk op dertig February
Geen mensch ooit port drinkt of canary,
  Dan om een laffe bluf te slaan:
Gelijk een Turksche kemeldrijver,
  De zandwoestijnen ingegaan,
  Zoo hy geen Hollandsch mocht verstaan,
Uw laatste werk, o  vruchtbre schrijver,
  Nooit uit verveeling op zal slaan:
Gelijk nog wel eens aan een vijver
- Maar schaars, uit militairen ijver
  En met een schutterspakjen aan -
  Een reiger blijft op schildwacht staan:
Gelijk in Holland eens Oranje
  Een slingersteen van centnaars vracht
Sloeg naar den kop van 't machtig Spanje
  En 't reuzenhoofd aan 't duizlen bracht:
Gelijk de vruchten onzer lenden
  (Mijn beurs gevoelt dit, op mijn woord)
Ons dierder zijn dan onbekenden,
  Van wie men nimmer heeft gehoord:
Zoo zeker zal ik u - om te enden -
't Beloofde lied voor "Holland" zenden.


[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.