Afgeluisterde tweespraak,
of dialoog,
Tusschen twee beroemde honden

De schoolmeester (Gerrit vande Linde)

Fidel
Ben jy dat, van Rijn, met je nieuwen staart?
Van Rijn
Wel neen; 't is dezelfde als alle dag; maar ik heb juist verhaird.
Fidel
Je ziet er toch schraaltjens uit; heb je voor schulden vastgezeten,
             Of misschien wel te veel lever gegeten?
                        Je neus is droog;
  En je hebt iets van een gesneuvelden kabeljauw in 't oog.
Van Rijn
               Ik heb geen lever gegeten sinds April,
           Toen de Leydsche diender my opsloot in de hal.
Fidel
                                       Je moogt zeggen wat je wil,
       Wél benje niet, en als ik jou was ik gebruikte een pil
In plaats van een been.  Neem hierin een voorbeeld aan de menschen,
Die, als zy ziek zijn, naar den Apteker en niet naar den Slachter wenschen.
Van Rijn
      Ik ben zoo gezond als een zoutevisch en verre van ziek;
          Alleen gevoel ik my wat lusteloos en cyniek -
     Wat meer of minder lekkers kan my geen oortjen scheelen;
     Maar ik heb er gruwelijk het land aan, my te verveelen.
           Mijn moeder en ik, gelijk u voorzeker is bekend,
           Zijn thands ingekwartierd by een jeugdigen proponent,
Die by gebrek aan 't geëerde publiek, dat hem voor als nog schijnt te
                                                                ontbreken,
       Ons elke dag vergast op zijn aandoenlijke preêken
     En als wy dan in slaap vallen by 't begin van 't sermoen,
     Dan schopt hy ons wakker en zeit, dat wy 't met opzet doen,
Alleen om een slecht voorbeeld te geven aan zijn toekomstige hoorders,
En hy dwingt ons naar zijn witten das te kijken en zijn twee dito
                                                        vadermoorders,
  En te luisteren, tot dat hy aan het slot van zijn preek is geraakt,
  Wat my bijster het land op jaagt en mijn moeder misselijk maakt.
Fidel
Dat 's waar ook, denkt je moeder niet haast in de kraam te leggen?
Van Rijn
    Ja, en mijn zuster ook, tegen Maart.
Fidel
                                       Dat woû ik al zeggen.
En ziet zy er op haar ouwen dag niet min of meer tegen op?
Van Rijn
  Dat doet zy; vooral sedert het crepeeren van Maartjen Mop.
Dat was een bitter sterfgeval en 't heeft ons allen zeer gespeten.
Fidel
Wel denkje dat het my niet heugt?  Ik heb immers nog op 't gegrafenismaal
                                                               aangezeten,
       En mede van die smakelijke varkenspootjens gegeten.
Wat zal ik zeggen?  Wy zijn allen sterfelijk; maar 't was altijd mijn leer,
     Men moet zich niet toegeven aan al dat gelamenteer.
Vertel my liever eens, hoe vaart je nicht, het smousjen van den bakker?
Van Rijn
Heel wel, maar 't kind wordt 's morgens al te vroeg wakker
  Met builen.
Fidel
              Je meent, builen om brood?
Van Rijn
Ja, ofschoon het zich nu en dan ook wel andere builen stoot.
  Je zou 't schaap niet meer kennen.  In plaats van geel
  Is 't wit.
Fidel
               Hoe dat?
Van Rijn
                           Wel ja, van het stoeien in 't meel,
      Net als alle kinderen.
Fidel
                               Wel! dat is heel netjens
Voor menschen, die op 't ontbijt houden van warme cadetjens.
Van Rijn
     Ja, maar 't is goed, dat men niet altijd weet
                     Wat men eet.
Hoe veel kinderen heb jy nou?
Fidel
                                    Ik heb er Goddank elf.
Van Rijn
Elf!  wat zeg je?
Fidel
                Ja, en mooie Keezen, al zeg ik het zelf.
       Den oudsten durft geen hondenslager aan,
    En de twee jongsten zijn als cadet naar zee gegaan,
    Zonder tractement, 't eerste jaar op de beenen;
Doch zy krijgen lever en pens als het tweede is verschenen.
               Enfin, 't is altijd een begin;
           Want je begrijpt, met een talrijk bezin,
     Stuurje ze zoo goed als het valt de waereld in.
Van Rijn
      Zijn ze niet een weinig van 't hondtjen gebeten?
Fidel
      Dat mag wel zoo; maar ik zou wel eens willen weten
      Wat Kees het niet is.  Intusschen wie heeft je dat gezeid?
Van Rijn
  Gezeid is het my; maar 'k weet niet meer by welke gelegenheid,
     En of het de hond van De Witt was of van De Groot:
      Ik zou 't je niet kunnen zeggen, al sloegje me dood.
    En ik wil er mijn hoofd ook maar niet langer meê breken.
          Laat ons dus liever over iets anders spreken.
Heb je van daag de papieren gezien?
Fidel
                                       Neen, ik ga nooit naar de hal.
Van Rijn
     Wel! dan kan ik je iets vertellen, dat je verbazen zal.
      Ik raapte gisteren een ouwe krant op, waar een bal
   Kalfsgehakt in had gezeten: een manke poedel nam het meê,
        Maar ik had liever gehakt gelezen dan Enschedé.

(Het vervolg ontbreekt)



[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.