By gelegenheid, dat de Schrijver my, op Highgate zijnde, het voorgaande fragment voorgelezen, en ik hem gevraagd had, waar al die dwaasheid nu op neêr zou komen, bekende hy my, zulks niet te weten, als hebbende die tooneelen maar volgends den luim van 't oogenblik, en zonder bepaald plan, nedergeschreven. Ik betuigde mijn leedwezen hier over, en spoorde hem ernstig aan, te beproeven, of het hem niet mogelijk zijn zoû, een schets van een drama of ander dichtstuk op te stellen, waarin (al mocht voor 't overige het geheel zoo ongerijmde en fantastisch mogelijk zijn) zich voor 't minst eenige orde en regelmaat bevond, en die schets dan uit te werken. Hy beloofde my, te beproeven of hy aan mijn verlangen kon voldoen, en werkelijk gaf ons gesprek geboorte aan den "korten inhoud" van een nieuw Drama, in hetwelk de tooneelen uit het voorgaande fragment eenigszins gewijzigd hadden kunnen worden opgenomen, doch welk drama hy niet verder bracht dan tot op de helft van het Eerste Toneel. Toen schijnt hem de lust ontzonken te zijn; misschien hinderde het hem, dat het hoofddenkbeeld van het drama niet nieuw was; misschien ook zag hy geen kans, gedurende vijf bedrijven in denzelfden trant voort te schrijven, zonder zijn dichtluim te verliezen en zijn lezers te vermoeien. Het kan zijn, dat hy gelijk had in het niet toegeven aan wat misschien een onbillijke eisch van mijne zijde was. In elk geval wil ik het fragment van deze tweede proeve ter verheerlijking van 't huislijk geluk van den heer Dadelpracht niet aan den lezen onthouden. - Zy overtreft, in mijne schatting, de eerste nog in uitgelezen dwaasheid.

Mr. Jacob van Lennep



[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.