De schoolmeester (Gerrit van de Linde) (1808-1858)
Men wil wel zeggen, dat, o Batavier! uw stam
Van uit het strijdbaar volk der Katten oorsprong nam.
- Helmers Cadet.
Lavater,
In zijn physiologie van den kater,
Zegt, dat hy terstond aan zijn manieren ziet,
Of hy mijnheer of mevrouw hiet:
En de dames onder de katten
Schijnen het even als Lavater te vatten.
Mijnheer zit op zijn uiterste gemak
In de goot tegen een hellend dak,
Alwaar mijnheer
Natuurlijk op mevrouw wacht, die ook klautert als een leêr.
En dan knijpt niet zelden onze jonker
By die gelegenheid de kat in 't donker.
Maar, wat men schaars by verliefde winkeliers en andere menschen zie
Ook zelfs om zijn liefde verzuimt een kat zijn affaire niet.
En 't is aardig te zien, hoe gaauw onze jonggetrouwde verhuizen,
Als zy 't minste geritsel hooren van huisratten of muizen.
Is echter dees nationale plicht
Eenmaal door hen naar behooren verricht,
Dan gaan ze weër terstond de pannen op, en dat wel zonder licht,
En het overige van de nachtelijke uren
Brengen zy serenades aan al de buren,
En korten op die wijze den slapeloozen tijd
Van menigeen die aan podagra of kiespijn lijdt.
Zoo weten die edele dieren, als Jenny Lind en
Cecilia, hun muzykale gaven met philantropie te verbinden.
Wanneer eenkat ons by nacht op zijn concerten tracteert,
Dan zou men haast vragen: "waar heeft het beest zijn zingen geleerd,
Daar hy over dag zich zoo zelden in den zang exerceert?"
Over dag neemt dit dier
Doorgaands op andere wijze zijn plezier:
Dan wandelt hy, by voorbeeld, wanneer het niet nat is,
(Want niemand die zoo bang voor vochtigheid als een kat is;
Ofschoon er menige jeugdige kat of kater
Om 't zwemmen te leeren als zuigeling gaat te water,)
Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om,
Mitsgaders het bleekveld, het kippenhok en de eendenkom,
Om zich te verzekeren, dat er nergens eenige sordes
Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.
Terwijl hy nu en dan, als een volleerd acrobaat,
Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat
En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen,
Dat hy niet op zijn pooten weër te land zou komen.
Immers als springer en equilibrist is hy een bol,
Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden menheer Auriol.
Ja, hy is nog vlugger zelfs dan nu wijlen Madame Saqui,
Al is zy als een zephyr gekleed, in een vleeschgekleurd jakkie,
En hy altyd in een bonte pels loopt, of winterpakkie.
Somtijds zit hy ook uren lang te loeren naar 't een of ander takkie,
Waar een nachtegaal zit te kwinkeleeren of groene sijs,
En dan peinst hy: "had ik je hier maar, je waart spoedig prijs."
Want een dergelijk vogeltjen, zelfs ongebraden, is een kat zijn delikaatste spijs
Soms klautert hy ook zelf in een boom; - maar, wat men daarvan moog' spreken
Ik wil den knappen brillenslijper wel eens zien, die hem er uit heeft gekeken.
Soms weër doet hy de ronde, en let of alles behoorlijk toegaat in huis,
En kuiert al de vertrekken rond, zolder en proviziekamer inkuis,
En vergewist zich op zijn tourneé of al te met de keukenmeid,
Als wel eens gebeurt door nonchanlance of onachtzaamheid,
Terwijl zy met den brievebestelder, of slagersmof staat te praten,
Een bord met room of gebakken vischjens, of een sauceijsjen á l'abamdpm
heeft gelaten:
En, opdat Mevrouw het verzuim niet merke en er zich over beklaag,
Ja misschien, na veel gekakels over en weër, in een driftige vlaag,
Aan de meid de dienst opzeg met Mei, of haar zelfs stante pede de deur
uitjaag,
Haast zich onze kaak om de onbewaaktje kliekjens te bergen, en wel in zijn maag.
Te recht betoont ge u, o lieve jeugd! geheel verbaasd en
In bewondering over zulk een zucht tot orde, gemultipliceerd met liefde tot
den naasten,
Waardoor dit edele dier zich boven zoo velen zijner natuurgenooten onderscheidt.
Let vooerts nog, o kinderen! op de byzondere faciliteit
Waarmede een kat zich, als 't regent of er sneeuw in den tuin leit,
Enfin, als hy niet uit mag, zich in huis, met de geringste zaken,
B.v. een afgerafeld end touw, een bal, ja een gescheurde Staats-Courant
weet te vermaken:
Of wel het gezelschap veramuseert met menige grap
(B.v. hoe knap krapt een kat de krullen van de trap,)
En een baas is ook in het spinnen,
(Voorheen zulk een geliefd occupatie by moeders van huisgezinnen)
Terwijl gy, o jeugd! schoon nog door St. Nicolaas zoo rijkelijk bedeeld,
Liever dan dat gy er op betamelijke wijze stilletjens meê speelt,
Het huis op stelten brengt, of aan mamaas boezelaar hangt en haar benevens
uw eigen verveelt,
Nog behoort onder de qualtiteiten, die een kat vercieren
Boven vele andere menschen en dieren,
Speciaal gelet te worden op zijn beschaafde manieren,
Waarom hy vooral wordt verestimeerd en hooggeschat,
Ja, dikwijls tot groot avancement geraakt, als b.v. de Gelaarsde Kat.
Ook ruikt hy altijd vooraf ('t geen byzonder aardig,
Ja, volgens Plinius en Richelieu, als hoogst merkwaardig
Te beschouwen is) of men visite te verwachten heeft op 't salet;
Want dan maakt hy altijd vooruit zijn toilet,
Wascht zijn neus, zet zijn knevels op en kamt zijn haren net.
En dat alles, eer nog Mevrouw haar huismuts af- en haar valsche krullen heeft
opgezet.
Maar, o jeugd! indien gy nu komt vragen:
"Waarin schept eigenlijk eenkat het meeste behagen?"
Ik antwoord: dat schrandere dier zijn liefde en zijn lust
Is, als hy, heel gemakkelijk, en zich zijner waarde bewust,
Het aardsche gewoel vergetende, op een canapékussen rust,
Waar hy dan zoo op zijn eigen over 't ondermaansche ligt te mediteeren,
Met zijn oogen dicht, opdat hem geen distracties zouden geneeren.
Ja, woont hy soms by een boer in of gepensioneerden soldaat,
Of by een verloopen domenee op zwart zaad:
Enfin, in een huis waar geen canapé of easy-chair staat,
Geen nood: onze wijsgeerige maat
Weet dadelijk op alle dingen raad,
En contenteert zich des noods met op Domenees oude huisjas te liggen,
of op de warme plaat,
Welke laatste hy dan ook zelden, voor dat die koud wordt, weër verlaat.
Zoo weet onze maat in de moeilijkste levens-oogenblikken,
Zich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.
Heeft een kat het naar zijn zin,
Dan neemt zijn gespin
Terstond een begin;
Maar gaat men hem plagen,
Dan zal hy juist niet byzonder klagen,
Ja, er zich veeltijds kalm onder gedragen:
Alleen zijn rug
Wordt dan zoo rond als een ronde brug.
Niemand denke daarom: "hy is maar een sul;"
Want als hy eens begint, is hy niet mak en dan wordt het wel 'reis
"katjensspul"
Ook rekent men het onder de onvoorzichtigste zaken
Om een slapende kat wakker te maken,
Of een die dol is, zonder handschoenen aan te raken.
Een kat zijn éénig gebrek
Bestaat, volgens Martinet, een een ongeneeslijken trek
Naar zoetemelk en naar spek;
Maar vooral in den haat, dien hy voedt
Tegen 't zwarte gebroed.
Daarom heeft te recht
Lacépède gezegd:
"'t Paradijs van een rat is
"Een huis waar geen kat is,
"Of de kat uit de stad is;
"Want om een val
"Geeft een rat niemendal;
"Maar van zoo'n levend graf
"Loopt hy weg op een draf."
Iemand die op de grammaire niet zo byzonder gevat is,
Zal niet licht raden, dat poes de vocatief van kat is.
[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]