De Koffy-veiling

De schoolmeester (Gerrit vande Linde)

Eerste Bedrijf

(Het tooneel verbeeldt het kleedvertrek van mevrouw Dadelpracht, met verscheiden ameublementen. Aan de rechterzijde ziet men tusschen twee armstoelen het klooster in Gysbrecht van Amstel, hetwelk men by vergissing na de laatste representatie heeft vergeten weg te schuiven. In 't verschiet is een open raam, dat ons een landschap vertoont, voornamelijk bestaande uit een boom en een populier, mitsgaders verscheidene gaten in de wolken.)

Eerste Tooneel

De heer Dadelpracht, alleen
    Ik ben hier eigenlijk in de toiletkamer van mijn gemalin,
    Die moeder zoû kunnen wezen van een zeer talrijk gezin,
    Zoo wy slechts op eenige kinderen ons konden beroemen,
Die haar dan natuurlijk moeder en my wellicht vader zouden noemen.
Doch daar wy volstrekt zonder kinderen zijn, zijn onze kinderen ook
                                            natuurlijk zonder oude lui,
En geven dus van het papa en mama zeggen tot nog toe den brui.
Maar met al dat philosopheeren in de metaphysica
Dien ik wel op mijn tijd te passen, want mijn horologie gaat wat na.
(ter zijde.)
Vindt het publiek niet, dat het hier zee naar pomade ruikt en valsche krullen,
Die thands, helaas! het hoofd van menige getrouwde vrouw vervullen,
Doch de beurs ledigen van haar Ed. echtgenoot,
Die toch eigenlijk degeen is die werkt voor zijn brood?
Overigens is echter mijn leven zeer plezierig.
Dit is eigentlijk mijn buitentjen: 't Is netjens en toch niet zwierig.
Wy hebben hier een fraaien tuin, benevens paarden en een koetsier op stal,
Van welke laatsten ik echter maar niet spreken zal;
Want ik rij gewoonlijk 's morgens met de trekschuit naar 't kantoor
En breng daar mijn dag in speculaties in de colonialen door
Met mijn compagnon en mijn ouden kantoorbediende,
Die Charles heet, net als Karel de Tiende,
En nog geen bril draagt; want, ofschoon stekeblind, is hy niet byziende;
Vervolgens met het schuitjen van half vijf,
Ga of keer ik terug naar mijn buitenverblijf;
Doch het wordt nu waarlijk tijd om naar de stad te gaan:
Me dunkt, ik hoor de pendule al twintig minuten over negenen slaan;
          Doch hoe dit ook zij:
          De bel is hier dicht by,
En ik heb mijn knecht bovendien noodig.
                                     Hij schelt.  De knecht komt.)
knecht
Het schellen, Mijnheer, was eigenlijk overbodig.
Ik sta altijd voor de deur, klaar en gereed
Om u te dienen, gelijk Mijnheer wel weet.
Dadelpracht ter zijde
Of om te luisteren.
             (Luid.) Loop eens uit al uw macht naar het jagerspad.
En praai de schuit van negenen; want daar wou ik wel meê naar de stad,
Je kunt niet missen, als je de schuit voorby ziet varen;
Want de schipper is ongehuwd sedert verscheiden jaren,
En, als hy nergens anders is, staat hy gewoonlijk voor de roef.
knecht
Ik geloof niet, dat ik nu verdere inlichting behoef.
                                                     (af.)
Dadelpracht
Deze mijn knecht is een van de slimste klanten,
My bekend onder de domestique lijfstrawanten;
Ik liet hem uit Parijs komen omdat hy Fransch verstaat,
Waar men thands in menige familie ten platten lande een bluf meê slaat.
Zijn boodschappen doet hy doeltreffend en spoedig,
En voor de kinderen (die ik, tusschen twee haakjens, nog niet heb) is hy zeer
                                                                       goedig;
           Enfin hy is een kostelijk knecht:
           En dat is tegenwoordig al heel veel gezegd.
Knecht komt terug
Mijnheer! de schuit en de schipper zijn compliment:
En sints de spoorwegen is zoo iets als een trekschuit niet meer bekend;
De jager en zijn paard hebben zich gisteren verhangen,
En de schipper staat snoek te visschen, die hy wel nooit zal vangen.
Om kort te gaan, Mijnheer, met de schuit,
Kunnen wy gerust zeggen: c'est fini, of 't is uit.
Dadelpracht peinzend
't Is waar, in mijn alleenspraak, anders genaamd converstatie,
Dacht ik waarlijk niet aan deze moderne innovatie,
En had ik vergeten, dat men niet, gelijk te voren,
Zich tegenwoordig kan op reis begeven zonder sporen,
En dat het breken van de lijn of de val van een paard
Op een ijzeren wagen noch oponthoud noch confusie baart,
Ik dacht aan mijn geluk met mijn gemalin, anders genaamd mevrouw,
Aan mijn wederzijdsche genegenheid en haar réciproque huwelijkstrouw,
En hoe ik, om zoo te spreken, nog eens vader zal zijn in 't verschiet,
Wanneer een zuigeling ons zijn kinderlijk caressen biedt;
Doch aan 't verdwijnen der trekschuiten dacht ik, helaas! niet.
Welaan, Jan! spoed u dan maar naar den koetsier
Breng hem terstond met de noodige équipage hier;
En dat hy zich met langen zweep en dikken kraagjas versier,
En verder met mijn fourgon en twee makke paarden.
knecht
Terstond, Mijnheer. - En hier is een brief voor Mijnheer, van Naarden,
Waar de telegrafische postkoerier van Amsterdam,
Juist op 't moment in de afgeschafte trekschuit meê kwam.
Dadelpracht
Wat een Amsterdamsch koopman altijd onderscheidt:
 In zijn ontzachelijke punctualiteit.
In plaats van zijn tijd te verkwisten of te verloopen,
Breekt hy zijn belangrijkste brieven onmiddelijk open;
Ofschoon hy niet altijd te voren weet voor gewis,
Welke van zijn brieven juist de belangrijkste is.
Daarom is ook Amsterdam altijd het puik der koopsteden geweest,
Gelijk men in de vaderlandsche historie van vreemde volken leest.
  En zijn hun onze Amstel en ons Y
Geheel geen onbekende plaatsen, geloof dit vrij.
Doch laat ons, na deze nationale uitboezeming, eens lezen,
 Wat wel de inhoud dezer missive zou wezen. -
- Welnu! inderdaad een koffy-veiling, op mijn woord,
Ik moet terstond naar gezegde veiling toe, enfin, ik moet voort,
Terwijl ik, wanneer deze veiling is afgeloopen,
De aangekochte koffij natuurlijk voordelig denk te verkoopen.
Ik schrijf een woord aan mijn compagnon en neem afscheid van mevrouw
                                                             Dadelpracht,
Die my, als van zelf spreekt, van avond te vergeefs t' huis verwacht,
Terwijl ons huwelijksbed, onkranst met myrten en populieren,
Van nacht in eenzaamheid bruiloft zal moeten vieren.
Hola, Jan!
knecht
Mijnheer, het rijtuig is met koetsier en paarden voor de deur.
Dadelpracht
Gy zijt zeer gezwind, naar ik met genoegen bespeur.
Doch ik zou wel een even met den koetsier willen spreken,
En vervolgens van Mevrouw afscheid nemen; ofschoon zulks my 't hart zal breken.
Roep daarom Andries hier zonder tijdverlies
En pak vervolgens mijn chemin-de-fer, ook wel geheeten valies.
knecht
Heel goed, Mijnheer.
                    (Hij roept den koetsier.)
Dadelpracht
Wel, Andries, is alles klaar?
koetsier
Meer dan vaardig, Mijnheer! en 't is het mooiste spulletjen met mekaêr.
Dat een blindenman zou kunnen zien  tusschen Amsterdam en Alkmaar,
De paardjens, Mijnheer, zijn zoo levendig als Engelsche hansworsten,
En zouden terstond met UEd. op hol gaan, zoo zij namelijk dorsten.
Doch dat is eigenlijk minder; want Andries zit niet voor niet op den bok.
En ZEd. daar zijnde, bennen ze zoo mak als opgezette leeuwen in een duivenhok.

Enfin, eer mijnheer zijn neus maar eventjes kan snuiten,
Is hy reeds vertrokken en te Naarden geweest en ziet hier weër buiten.
  Zoo heeft hy toch waarlijk dubbel plezier
  Van zijn twee paarden en zijn knappen koetsier.
Dadelpracht
Ik ben altijd over uw diensten tevreden geweest; doch hebt gy wel
                                            gerekend op een lange voyage?
koetsier
Ik heb, net als de Franschen, moed voor alles, Mijnheer, of, als wy 't
                                        onder ons noemen, courage.
Dadelpracht
Is het rijtuig, enfin, is alles in orde?
koetsier
                       Mijnheer, alles is pront.
Dadelpracht
Dat mag ik hooren: zoo vertrokken wij maar terstond.
Maar à propos, over 't uithalen? ...
koetsier
             Mijnheer, de natuurlijke historie
Van 't uithalen weten die dieren zoo goed als ik, en dat by memorie;
Want zy kunnen lezen noch schrijven en vragen dus nooit naar een boek,
Waar ik, als koetsier, de noodige informatie in zoek;
Doch zy bezitten iets remarquables, genaamd instinct,
Hetwelk in die redelooze dieren meer dan de rede in UEd. en andere
                                                       menschen blinkt.
En zoo zeg ik, bij voorbeeld, tot uw paarden, ik meen met mijn toomen:
                                                     rechts of links af!
En zy doen terstond het tegenovergestelde van 't geen ik niet hebben
                                            wil, en dat op een draf.
Dadelpracht
Genoeg! hul uw hoofd thans in castoor, anders genaamd bever.
koetsier
Om je de waarheid te zeggen, Mijnheer, had ik liever een glaasjen jenever,
Tegen de morgenlucht; doch altijd met UEd. verlof.
Dadelpracht
Heel goed! schuur thands UEd. piek, of, volgens de Engelsche dictionaire:
                                                            be off
                                                    (Koetsier off.
Dadelpracht, alleen
Mijn hart voel ik thands, gelijk een bloem in den dauw, door verscheiden
                                                         emoties begoten,
Nu het afscheid gemaakt van de vrouw, door mij gehuwd te Voorschoten,
Terwijl zy den volgenden morgen reeds aan den Leydschen dam
My tracteerde aan 't ontbijt op mijn eersten getrouwden boterham.
Hoe zal ik mijn gevoel, anders genoemd sentimenten, behendig genoeg
                                                         kunnen bedekken?
Om geen tranen op haar kinderloos gelaat of iets dergelijks te verwekken?
Enfin, de man is heer van de schepping, wat de Franschen noemen
                                                                  signeur;
Doch zij nadert.
knecht
                Mijnheer!  Mevrouw wenscht U te spreken.  
Dadelpracht
Laat ons dan zonder complimenten het ijs des afscheids breken.
knecht stil tegen mevrouw
Mevrouw! zeg vooral niet dat ik u dien brief gaf.
Mevrouw ter zijde
             Reken op de bescheidenheid eener vrouw,
Die u gewis zal beloonen voor uw vaardigheid en trouw.
De brief is veilig, wees daar zeker van, in mijn handen.
Dadelpracht
O Pronk- en puikjuweel der vereenigde Nederlanden,
   Met uw correspondeerende armen en handen,
   Hoe zijt gy nog zoo laat en negligé?
   Deel mij het geheimzinnige van dit raadsel meê?
Mevrouw
Helaas!
Dadelpracht
  Helaas!  wat beteekenen zulke interjecties,
En van uwe fraaie stem zulke melancholieke reflexies?
Ben ik niet dezelfde steeds, die eerst naar u vrijen en vervolgens u
                                                     trouwen kwam,
Dezelfde hier, gelijk vroeger te Voorschoten en vervolgens aan den
                                                       Leydschen dam?
Wat deert u toch, mijn beminde schat, en mijn duifjen?
Mevrouw
Helaas! een vrouw zonder haar huwlijksman is gelijk een volant zonder kuifjen.
De brief van Naarden kwam dezen morgen eerst aan;
Doch de slapeloosste nacht heeft hy my reeds doen ondergaan,
Benevens onderscheidene cauchemaren en droomen,
Die als molensteenen op het hart van uw gade zijn gekomen.
    "Waarom," riep ik in mijn echtelijk verdriet,
"Ruk ik thands mijn hairen niet uit, of verdestrueer ik mijn nagels niet,
"Of word, ik gelijk Camilla niet dood gestoken
"Door een broêr, met wien zy zoo even nog familiair had gesproken?
"Waarom steek ik mijn getrouwde hand niet in 't vuur als Mucius Scevola,
"Of mijn zwaard in mijn eigen als Cato van Utica?
"Waarom..."
Dadelpracht
             Lieve Euphemia, gy zijt buiten u zelven,
Dus de Romeinsche geschiedenis à propos van een reisjen naar Naarden
                                                              op te delven.
Doch op wat wijze, verklaar my dit, overdierbaar lief!
Bekwaamt gy kennis aan dien onzaligen particulieren brief?
Mevrouw
Helaas! ik hoorde zonder te luisteren, terwijl zoo veel anderen luisteren
                                                         zonder te hooren.
Ik stond by geval achter ginds beschot, of liever klooster, en zoo trof
                                                 die treurmaar mijn ooren,
En zag ik ten duidelijksten mijn onzalig en verlaten lot
Van achter dat klooster, of liever, dat kloosterachtig beschot.
Thands ga ik in de voorkamer een tapijtwerk borduren
     En wederom ontrafelen in de nachtelijke uren,
     Gelijk eertijds Ulysses of liever Penelopé,
Ofschoon man en gade eigenlijk één zijn en diensvolgens geen twee.
      Enfin, ik zal miserabel zijn, dierbare schat!
Tot dat UEd. terugkeert, zonder, als ik hoop, koû te hebben gevat.
Dadelpracht
       Zooveel blijken van huwelijksliefde in de daad,
Stellen zelfs een Amsterdamsch koopman geheel buiten staat
Het afscheid van zijn gemalin verder te rekken.
Ik moet terstond van hier, of met andere woorden, vertrekken.
Vaarwel... nog eens... vaarwel! adieu, Euphemia!......
Mevrouw
                                       Helaas! mijn leed
Is onbeschrijfbaar... vaarwel!
Dadelpracht
     Nogmaals, adieu! - Andries, is alles gereed?
koetsier van buiten
Mijnheer, de paardtjens loopen reeds, om zoo te zeggen,
Als twee jonge honden, die in de verte een been zien leggen.
Doch, als paarden betaamt van opvoeding en fatsoen,
Durven zy het natuurlijk zonder Mijnheer niet doen,
En staan ze dus hier te wachten als geduldige lammeren,
Tot UEd. en Mevrouw eindelijk gedaan hebt met jammeren.
Dadelpracht
Vaarwel, voor 't laatst, Euphemia!
Mevrouw
         Helaas! zy hoort u niet; zy is sprakeloos.
Dadelpracht
                                                     Vaarwel!
Ik retourneer ten spoedigste, anders genaamd snel.

Tweede Tooneel

(Het tooneel verbeeldt een fourgon.)

koetsier
       Mijnheer!  hier ziet UEd. voortreffelijken haver,
En een halfuur verder zouden uw paarden zich kunnen vergasten aan klaver.
Dadelpracht
Andries!  spreek my nu niet van paarden of klaverzaad,
Als ik aan Mevrouw denk, heb ik het waarachtig te kwaad.
Leg my dus de zweep nogmaals op de paarden,
En breng my ten spoedigste terug van de veiling te Naarden.
Inmiddels zoek ik mijn troost in een zoeten slaap
En steek gy uw pijp op, getrouwe en waakzame knaap!
koetsier
Dankje, Mijnheer.  Ik heb liever een pijpjen tabak,
Zoo goed als de koning zijn hand ooit in Z.M. mond stak.
En zoo je nu niet met de équipage te Naarden bent,
Eer je nog droomt dat je in slaap valt, zeg dan maar dat Andries zijn paarden
                                                                    niet kent.


[Tweede Bedrijf] [De Koffyveiling - Hoofdpagina]
[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]


Opmerkingen aan: coster@dds.nl.

De hier beschikbaar gestelde teksten vallen buiten het kopijrecht. Ook de HTML-versies mogen wat ons betreft vrijelijk gebruikt worden voor studie of genoegen. Neem alstublieft kontakt op met coster@dds.nl wanneer u ze gebruikt voor handelsdoeleinden.