De mop en de kees

Een Fabel

De schoolmeester (Gerrit vande Linde)

Wie 't onderste uit de kan begeerd,
Heeft soms aan 't lid zijn neus bezeerd.
    Escarboucel
Heu stirpem invisam!

Een mooie Mop,
Zoo vlug als een barbier in galop,
Pas uit den dop,
Met een beeld, een knop
Van een neus, - "met natte drop,"
Zeî de hondendoctor: "en een tong als aalbessensop," -
Enfin een wassen pop
Van een jongen Mop,
Lag voor de deur, in een geel envelop,
Met zijn nieuwen staart onder zijn arm, en zijne ooren op,
En zoo deftig als een Aartsbisschop,
Maar zonder kraag om zijn krop,
In de zon een pamphlet te lezen
(Door wijlen den Inspecteur-Generaal
Van 't "viervoetig" Hospitaal),
Dat, naar ik hoor, zeer fraai moet wezen,
En zelfs in 't "redeloos" Handelsblad werd geprezen:
"Over de leverziekte" namelijk "onder de Keezen,"
"En hoe die kwaal,
"Voor den "vernuftigen" mensch zelfs fataal,
"Helaas! maar al te menigmaal
"Onder dit "onvernuftig vee"
(Volgens Gravé)
"Die bleeke keffers, uit happige eigenbaat,
"Hyeensche hebzucht en galzieke overmaat
"Van duivelen-wangunst ontstaat,"
Toen, of het toeval 't woû,
Een oude sjouw
Van een stoffel
Zonder wenkbraauw,
Met een oog als bezweken kabiljaauw,
Zijn hiel door ééne mouw,
En zijn elleboog door zijn andre pantoffel....
- Wat doet zoo iemand in de koû? -
Enfin, een Kees, zoo verwaand als een paauw,
Mank aan alle vier, maar anders vrij gaauw,
Met zijn staart in zijn rokzak, en een lever in zijn bek,
(Hoogst waarschijnlijk ontvreemd onder 't gesprek
Aan d'een of d'anderen slager in lamschvleesch of spek;
Want in 't kapen zijn Keezen alles behalve gek.)
Aan komt klauteren over 't gegrendeld hek.
Net vis-à-vis Mop,
-Met zijn staart thands op -
En in 't passant "bonjour! zeit: "gaat het je nog altijd gelukkig
"In Holland, Geeltjen? want fortuin is zoo nukkig?" -
"Ja, perfect, manke sneeuwbal! maar met jou gaat het krukkig."
Waarop Kees grimmig doorklimt; doch naauwlijks in den top
Van gemeld tuinhek, in d'effen vliet
- Daar Mop intusschen aan 't blaffen schiet -
Zijn eigen met een tweeden lever in zijn mond ziet,
En terstond - en wat Kees deê het niet? -
Twee levers voor één verkiest;
Doch - daar Mop nu verbaasd zijn oogen wrijft en niest -
Zijn equilibrium en de heusselijke lever verliest,
En, ofschoon hy braaf "help!" riep in zijn verdriet,
Of volgens Siegenbeek zelfs "hullep!", het hielp hem niet.
"Keesjen-lief viel in 't watertjen diep,"
Waar hy natuurlijk tegen de lamp aanliep,
En dadelijk als drenkeling ontsliep,
Terwijl Mop in zijn eigen blaft: "Kijk!
"De Inspecteur heeft gelijk."

moraal

Waar ik een gesneuveld Minister,
Ik hield van zulke fabels een register,
En ik schreef: Cui bono?
Aan Pio Nono.



[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.