De Nachtegaal

De schoolmeester (Gerrit van de Linde) (1808-1858)

Daar school een nachtegaal in 't groen
Het was in de Mei!
En hy zong zoo zoet in 't looffestoen,
Het was in de Mei!
En hy gaf zijn zoetelief een zoen
Net als ik of hy zou doen,
Zes maal, zes maal, zesmaal doen,
Het was in de Mei!

    - Een bloedverwant van Patertjen langs den kant.

"Ons gekweel"
- Zegt een voormalig Philomeel -
"Is onder de dieren ons bescheiden deel:
"Net als 't loeien
"Onder oude voorzangers en koeien:
"En een concert vocaal
nachtega.gif

"- Dat zeggen wy allemaal -
"Op een tak, is voor een nachtegaal
"Wellicht een smakelijker onthaal
"En niet minder amicaal
"Dan zelfs 't stroopen voor een aal.
"Want" - vervolgt hy - "Waar ik geboren word, gestorven en grijs,
"Net als baanvegers op 't veldijs."

Hij speelt dan ook, naar den eisch,
Al van kindsbeen af in 't lover,
Op zijn muzikale schaatsen beentjen over,
En raakt nooit van de wijs.
In 't kort, 't is zijn element;
Want voor de zangschool of 't conservatorie
Spendeert de kleine vent
- Voor zover my is bekend -
In 't jaar, wil ik wedden, geen cent.
- "Ik heb," zegt hy, "jandorie!
"De geheele muziek al in mijn memorie
"Net als Romulus de Romeinsche historie.
"Om je moeilijkst ut- re- miboek
"Geef ik zoveel als een vlugge snoek
"Om een schepnetjen van gescheurd neteldoek.
"Ik weet het veel beter dan jy;
"Want het is juist mijn liefhebbery:
"Daarom vraagt zoo vaak de melody,
"Wanneer zy my tegenkomt, aan my:
"Ben ik dat of Gy?"

Een jong Philomeel
Draagt het Haarlemsch orgel dan ook flink in zijn keel,
Mitsgaders de kasten en pijpen, doch zonder 't klavier;
"Want daar staan mijn handen niet na," zegt dit schrander dier;
En toch speelt hy, zonder handen, heel wat knapper,
Dan een doofgeboren orgeltrapper,
Ofschoon hy, met zijn exteroogen, menigmaal
Zijn laars niet aan kan krijgen, voor 't pedaal.
Als je 't ook niet wist,
Dan zei je: "Is dat het halve zoontjen niet van den orgelist."
Maar geen orgelist, dat ik weet, heeft het hem nog na gedaan,
Of de man moet byzonder vroeg zijn opgestaan.
Treft de jeugd echter zo'n baasjen aan,
Kom aan!
Hy maakt zich bekend,
Ik doe mijnheer op 't moment
By deze, met vermaak, een paar laarzen present.
Brachthuizer sluit ik uit:
Dat was geen orgelist, dat was een luit.

Van wege l'amour heeft Rossignol
Zijn kleine krullebol
Natuurlijk zoo vol,
als van a en b mol,
Geen nachtegaaltjen gaat er over straat, met een parasol,
Of mijnheer is dadelijk op hol,
En op neepjens-kappies is hy dol.
Maar - dat moet ik zeggen - Philomeel
Zet toch altijd zijn beste beentjen voor bij zijn vrijster.
Voor dat vogeltjen zingt hy waarlijk als een lijster.
Want hy houdt van zijn bruid in zijn ziel veel,
Al ziet ook 't meisje by ongeluk scheel,
"Dat merk ik 's avonds toch niet," zeit hy, "in 't priëel."

Wie hieruit evenwel afleidt, dat onze kwinkeleerende Leander
Voor Herootjes alleen tiereliert, en nooit voor een ander,
Doe mijn komplimenten maar terstond aan zoo'n naturalist,
En zeg hem, "dat hy, uit mijn naam, zijn eigen vergist,
"En dat ik waarlijk dacht o jeugd! dat hy 't beter wist,
"Daar Professor he seilicet verwart met een ander verliefde tortel,
"Die jammert op zijn dorre ranck
"Van een beroofden boom zijn wortel
"Haar leven lanck!"

Een Hollandsche nachtegaal verhuist by zijn' dood,
Volgens den Fabelleer, met zijn ziel naar een sloot
En wordt aldaar als kikker vergood;
Of hy er echter nog eieren blijft leggen,
Dat zou ik u niet durven zeggen.
Met zijn maatgeluid
Is het echter uit.
't Is niet langer die zoete guit
Met zijn mooie fluit
Vol melodieus getuit;
Daar is thands in zijn stem iets, dat me stuit,
Iets... enfin, 't heeft heel veel
Van een driftig Aanspreker, met een graat in zijn keel;
Want na zijn metempsycosis,
Zingt hy net als een schor mens dat boos is.



[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.