De Visch

De schoolmeester (Gerrit van de Linde) (1808-1858)

Lucius enescet, nam cetera quit moror!
- SCALIGER
Zaliger.
-
o Pescator dell' onda,
Fidelin.

Idyllen van een Poieraar.

't Latijn zegt, dat het piscis
En Sigenbeek dat het visch is.
Doch het zal wel hetzelfde zijn
In 't Hollandsch en in 't Latijn.
Hoe dit zij.

- Voegt de Natuurlijke Historie er by -
Wy kunnen nooit weten,
O jeugd! wat wy eten,
Of het Roomsche visch
Of visch uit Dordrecht is.

Met recht hebben Plinius en Martinet beweerd,
Dat visch by voorkeur in den Waterstaat verkeert,
Want hy heeft vóór zijn beboorte al zwemmen geleerd,
Waarmede de Amsterdamsche Baaischool natuurlijk raillseert.
Grootmoeder zegt licht: "'t is voor 't kind verkeerd,"
Doch, als zijn kinderen 't niet kennen,
Zegt de visch, dat het zijn kinderen niet bennen.
Een eend denkt er ook zo over; "doch ik," zeggen de hennen.
"Wil er de mijne zoo jong niet aan wennen."

Wie, die nu besliss'
Of katvisch
Dan wel de groote de lekkerste is.
Hoe beeldschoon is b.v. hombaars te Lis,
En groene haring in de duisternis!
En hoe uitstekend fraai
Zijn aan den anderen kant zaagvisch en haai!
Doch de hengelaar is met deze wel eens verlegen.
Omdat zy by 't naar huis gaan zoo zwaar in zijn bunnnetjen wegen.
visch.gif

Een vischjen in 't water
Heeft een leventjen als een Pater;
Maar 't moet niet koken.
Of zy zouden beiden een leelijke pijp rooken.
En riepen zeker: "brand!"
In plaats van "Patertjen langs den kant,"
- "Om de dood niet aan de kook,
"Of wy bennen 't ook,
"En wy zijn een lijk!"
Roepen zy te gelijk.
Maar anders, in 't water te leven,
Of in de wetering rond te zweven,
Wordt hem met de pap reeds ingegeven,
En in plas of vliet
Weet een visch van geen verdriet.
Hy duikelt en schiet
En schuilt er in 't riet,
Of zwemt eer men 't ziet
Zoo snel als een spriet
Naar zijn beminde Griet,
Als deze haar weërmin hem biedt -
Maar in den ketel doet hy dit niet.
Schoon vlug in de vaart,
Is hy over 't vuur zeer bedaard
En ziet er met zijn kop onder zijn staart.
Op t' diné heeft hy 't ook niet naar zijn zin;
Althands hy verroert er geen vin
En ziet er zelfs zoo nijdig als een spin.

Al regent het in de vliet
En op straat dat het giet,
Zoodat men zelfs geen huisbreker tweemaal schellen liet,
En alsof men op iemand de brandspuit afstak,
Of wel van langs het dak
Per abuis den regenbak
Tot iemands verdriet,
Terwijl de paraplui hem ontschiet,
Op zijn tronie nederloopen liet,
Tot hy vergeet of hy zijn neus of zijn bochel voor zich ziet,
En of hy nog: "o mensch!" of "o natte vaatdoek!" hiet,
Zóó regent het niet,
Dat men een visch met een paraplui op ziet.
Cuvier vroeg, naar men zegt, menigmaal
De reden hiervan aan bot of aal;
Maar hy kreeg geen antwoord van all of bot
Dan de wedervraag: "Cuvier, ben je zot?" -
Ja, baars en paling, stokvisch en braassem
Zy riepen allen uit éénen aassem:
"Cuvier, ben je dol?
"Of raakt, met permissie, je hoofd op hol?"
"Wel mijn goede man," zei Schol,
"Ik geef om den groensten parasol
"Geen rooien duit, sur ma parol'.
"Of hebben wy met zwemmen onze handen niet vol?
"Doch zoo weinig ben ik een menschenhater,
"Dat ik hem integendeel een jaar of drie toewensch onder water,
"Dan zoû hy immers voor zijn fatsoen
"Zoo'n dwaze uitgaaf voor een paraplui niet meer doen."

Een visch is zeer gek op zijn staart,
Daar hy dan ook beelderig vlug meê vaart,En die nooit verhairt
Zoo als staarten op aard:
Wat by naturalisten veel verwondering baart,
En zelfs nog door geen kapper naar eisch werd verklaard.
"Ja: 't is hetzelfde geval met hun baard,"
Zeg Buffon, "ofschoon zy dien nimmer laten scheeren. -"
Weshalve zy ook weinig by den barbier verteeren.

Als katvisch een hengel aanschouwt,
Dan wordt zijn bloed doorgaands dadelijk koud.
Maar als zijn oom (die de leepste van alle visch,
Ofschoon voor zijn buren wat lastig, is)
Ik meen, als een snoek
Een hengelaar ziet of een hoek,
Dan wordt hy zoo boos en zoo bleek als een doek.
En ofschoon de hengelaar hem ook bespeurt,
Hy heeft hem daarom nog niet naar huis gebeurd.
Hy heeft, het is waar, wel een aan;
Doch de snoek rekent op 't mis-slaan,
En als de ander zich verbeeldt dat hy slaat,
Dan poetst snoekie-maat
Gemeenlijk stilletjens de plaat;
Maar steekt nog eerst op zijn dooie gemak
Het aas met den hoek en den halven draad in zijn zak.
En dan roept hy nog, als hy gaat,
Heel hatelijk tot den hengelaar: "adi, kameraad!"
En in 't omkijken: "dag Jaap, adie!
"Pas op de graten, jongen! bon appétit.
"Als jy van daag je hart op snoek hebt gezet,
"Dan visch je min of meer achter 't net.
"Ik ben nu en dan, naar uw verlangen,
"Quasi wel eens aan 't aas blijven hangen,
"Maar dat was spiering om kabeljaauw te vangen.
"En zoo jy te Leiden in 't hengelen bent gepromoveerd,
"Dan heb je, naar ik meen, al byzonder weinig gestudeerd,
"En je piepa zijn geld op een slordige wijze verteerd.
"Enfin! Ik wensche je goeje morgen." En al den tijd,
Dien nu Snoek met dees dialoog of alleenspraak verslijt,
Staat Jaap, met een mond zoo deftig als een geit,
Nog even geduldig te wachten of de snoek nog bijt.

Alzoo heeft de visch het land
Aan een hengelaar, die onverdronken blijft aan den kant.
Doch valt deze uit zijn boot
In de sloot,
Pierdood,
Of, by abuis,
Als jeugdig drenkeling van de sluis,
Dan zegt hy aanstonds: "Welkom 't huis,
"Hengelaar! hier is je pet; je boordtjen zie ik niet: herleef:
"Ons motto is: vergeet en vergeef,
"Net als de snoek aan zijn neef,
"Terwijl hy hem intusschen opat, schreef,
"Ik ontfang u hier, als landgenoot,
"In mijn waterschoot:
"En by klein en groot
"Wordt gy alras op een slokjen genood,
"Ofschoon wel is waar van uw leven ontbloot."
- Iets wat waarlijk voor den mensch een les is,
Die wel eens niet t' huis geeft aan zijn vriend, die op de flesch is,
En hem dan nog eer een bokking,
Dan een glaasjen cordiaal of parfait amour gaf van Wijnand Fokkink.

Ook leert men hieruit, dat wie nog reutelt van "stom als een visch",
Alleen maar toont, dat in de Natuurlijke Geschiedenis
Hy juist zoo bedreven als een snoek op zolder is.

Om een schepnetjen geeft een visch geen duit.
Misschien denkt hy wel: "'t is dan toch al verbruid."
Ook springt hy er nu en dan wel weër uit.
Maar een zegen,
Die zo'n heele wetering komt leêgen,
Daar heeft hy natuurlijk machtig veel tegen.
"Noem je dit zegen," zegt hy; "heb je geen abuis?
"Of is 't als lucus a non lucendo en meen je soms kruis?
"Als zwem ik in dien zegen op mijn kop,
"Daar zit jandorie, geen uit- of wegzwemmen op...
"Die gemene dweil en de vasten
"(Wanneer zich zoo geheele gezinnen alleen op visch vergasten)
"Zijn eigentlijk onze twee grootste overlasten,
"Die 't ons zouden bakken, als wy er niet op pasten; -
"Maar dit laatste doen wy in den verboden tijd:
"Den genoeglijkste, dien men met zijn famielje slijt,
"Wanneer een visch een leventjen als een Sultan leeft,
"En een hemel in 't water heeft,
"En, was dat niet gauw gedaan,
"Dan kon je al spoedig in den Oceaan
"Heel gemakkelijk over onze hoofden gaan;
"Want het is met ons louter amour en inclinatie,
"Net als met den Keizer van de Fransche Natie." -
En ziedaar, waarom visch
Zoo dikwijls de bruigom is.
In 't algemeen kan men zeggen: zy houën
Allemaal heel veel van trouwen,
Net als de jonge heeren en juffrouwen,
Zonder dat het hen, als deze zoo vaak, komt te rouwen.
"Maar om 't consent van de wederkeerige ouwe lui,"
Zegt Benjamin Buffon, "geven zy den brui."
Ik meen zijn zoon George te Dyon.
"Daarom trouve-t-on,
Ziet George, "onder den poisson
"Zoo zelden een liaison
"Politique of uitspeculation,
"Zoo weinig een marriage de raison."

Er zwemt nooit geen tong langs den Briel,
Of hy neuriet: "Poisson d'Avril,"
Als of hy zeggen wou: "o geuzenziel,
"Heugt het je nog, hoe het Alva beviel,
"Toen jy hem zoo wakker den bril aan zijn neus
"Wist weg te kapen? zeg, heugt het je nog, O Geus?" -

De Natuurlijke Geschiedenis
Erkent gemeenlijk twee soorten van visch,
Namelijk degeen die opgegeten, en die nog voorhanden is
Net als twee soorten van negers,
De heuschelijke en de schoorsteenvegers.



[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.