De terugkomst van den zomer

De schoolmeester (Gerrit vande Linde)

Zoo is het warme weër in 't eind teruggekeerd
En ziet men lieden, wier gezondheid was bezeerd
Door koû, zich in den gloed der zonnestralen koestren,
Niet langer in hun huis geklemd als Texelsche oestren.
  De Zomer nadert en de Winter schuurt zijn piek;
't Was tijd waarachtig; want hy maakt het menschdom ziek.

  Nu kan men in zijn hemel of zomerbroek weër loopen
  En aan een crediteur zijn duffelsche buis verkoopen:
Nu mag de mensch weër met zijn hond uit zwemmen gaan,
  Of zich verdrinken, zoo zy 't zwemmen niet verstaan.
  Nu ziet men 't vlooienvolk weër blij zijn huwlijk vieren
  En 't menschdom plagen met hun angels, vreesbre dieren,
    Zich nestlend in ons hair of tusschen hals en kraag
    Of in de kniebocht of in 't kuiltjen van de maag
  En iemand stekend, dat hij tureluursch en gek wordt,
Zijn lichaam zwelt en rood als versch geschilderd spek wordt;
  Waarop hy 't springend vee met duim en vinger knipt,
  Ten zij 't gezegde vee hem juist by tijds ontslipt. -

Nu hoort men dikwijls: "kom 't heeft eindlijk uitgeregend,
"Ik heb geen paraplui te dragen: dat 's gezegend."
    Zoo spreekt men en gaat uit in 't zonnig middaguur
  Doch komt weër t' huis, doorweekt gelijk een kinderluur,
Nu ziet men doorgaans twee uit wand'len gaande minnen,
    Elk met een telg bezeuld, al 't mooglijke verzinnen
  Met dot of rinkelbel, om 't schreeuwend min-verdriet
  Den mond te stoppen in de warmte: 't baat haar niet;
  Hoe meer ze tobben met die ongespeende leeuwen
  Hoe meer heur zooggebroed de buurt by een zal schreeuwen.
    Nu legt men 's avonds vaak 't flanellen borstkleed af
    En staat verwonderd, dat men 's morgens ligt in 't graf,
    Ja, menig Vader gaat uit wandlen met zijn kind'ren,
      Die op zijn toonen staan, zijn exteroogen hind'ren,
        De panden scheuren van zijn stofjas, en, als dol,
        Zij vest bezoedlen met hun vuilen krullebol.

Doch d'oorsprong van hun zijn blijft in zijn lot gelaten.
Zijn 't niet zijn kinderen, zijn na- of achterzaten?
Is 't niet zijn eigen bloed, dat op hun wangen bloost?
En is hun moeder niet de moeder van zijn kroost?
  "Een kinderlooze alleen heeft recht, zich soms te belgen,
  "Als op een wand'ling hy geplaagd wordt van zijn telgen."
    Zoo spreekt de vader-filosoof, daar de oudste zoon
    Inmiddels mislijk wordt, als 't rooken niet gewoon,
  En 't jonger broederpaar, by 't vogelnest-verstooren,
  Op 't minst twee derden van zijn broeken heeft verloren. -

   Zoo brengt de zomerdag genietingen ons aan,
Waardoor  het menschlijk hart op 't zoetst wordt aangedaan.


[Schoolmeester Homepagina] [Coster Pagina]

Opmerkingen aan: coster@dds.nl.