Spadichten

Jan Six van Chandelier


LEEVEN TE SPA.


Ik zal ter eere van gesonde Spafonteinen,
Heur deuchdsaamheit, gebruik, en hoe, van rymsel tweinen.
Op dat de bobelyn, daar siek, uit andre landen,
Gemartelt van Galeen met hoop syne ingewanden
Te heilen, door heur dronk, weet hoe sich aan te stellen.
Al is hy geen Sennert, die voorneemt te vertellen,
Men volge vry syn lesse, als zynde wat ervaaren,
Door leesen, oogh, en oor, en eigen weedervaaren.
Daar is in Luiks gebied een dorpje Spa geheeten,
Half wegh, juist van Viviers, en Stavelo geseeten,
Op voeten van Spalou, hooghrotsigh, als geschaapen.
Geberghte kan alom de dellingh oovergaapen.
Den Heemel draaght het, in den omtrek, gunstige oogen.
De rotsen, met een voet van gruisich klei betoogen,
Zyn ryk van groen, van graan, en ooft voor haar genooten.
Van binnen naast de markt, en buiten een'ge schooten,
Opborlen bronnen uit, Ardennis diepsten naavel,
Vry sarp van kooperrood, staal, nyter, loot, en swaavel.
Het volk van dit quartier woont in het dal des leevens,
Werd oud, nooit sieklik, of het sterflot valt daar neevens.
Pouhon de steedekroon heught meer dan duisend jaaren.
Heur susters, Savenier pronkt met noch gryser haairen,
Min dan een uur van 't dorp, van 't oosten silvre waatren,
Geborsten uit een klip, langs eiken, doende schaatren.
Geronster, niet zoo oud, vliet verdertjes van 't suiden,
Omeekelt, met een plein, voor wandelende luiden.
Nimf Tonneken, de naaste, alleenelyk verkoudend,
Is jonger, in moerasch, Noordoostwaards, sich onthoudend.
Die Nimfen schenken salf, niet als de salfmeestersen,
Gerimpelt, geldloos volk, vol ydelende herssen,
Die met betoovertaal, ontallike gebreeken,
En in, en buiten 't lyf, te snoo verapoteeken,
Maar kostlik kostloos sap, dat vloeijende, in de kooken
Des boesems, en van daar, waar 't lichaam werd gestooken
Van 't hoofd, tot in den teen, onvoelik gaat doorkruipen,
En suiveren van vuil, en martelende stuipen.
Herstellende ieder deel, met vroolikheit, in 't weesen,
Waar op de roosebloem en leeli werd geleesen.
Gelyk Triakel, ende Mitridaat, van kruiden,
Ook hinderlyk van aard, nochtans veel sieke luiden,
Vremd helpen, op de been, zoo heilen deese wellen
Veel siekten, waar de konst geen reede af kan vertellen.
De gallen, en taai slym verbrandende, en verkouwende,
Al 's lichaams aaders, met verstoppinge, benouwende,
Oorsaaken van veel quaads, verdunnen deurgesneeden,
Verteeren, en vergaan, gedreeven naa beneeden.
Het draaijend hoofd raakt vast. De sinkingen verdwynen.
Des neusgats bloedwel stopt. d' Ontsteeke ooghappels lynen
Veranderen in wit. De slappe maage, aan 't braaken,
Versterkt, heel greetich, naa het maalsel van de kaaken.
't Benaauwde hart verstrikt krygt locht, en werd ontveetert.
De heete leever koelt, van brandigh bloed verbeetert.
De loose stilt den hoest, en lenght den korten aassem.
De dichte milt ontstopt, en schiet geen boosen waasem,
Door vyf rivierkens, om de maage te vergallen.
De niergloed lescht, ontsweert, heur perssende kristallen
Verbryslen, met de steen, de blaase, en roede ontwaatert.
De buik vol winden barst, met stormen, dat het klaatert.
't Gedarmte voelt den loop, en wormen sich ontloopen.
De witte bloedvloed vindt de sluisjes niet meer oopen.
Het waater loopt ter zee. De koortsen zyn aan 't bluschen.
Wie Venus had vertoornt, met al te bont te kussen,
Dies met een Spaansche berk, vol plekken, was geslaagen,
Versoent sich met beloft, om 't nooit meer zoo te waagen.
De vrouwen die om kroost, en sonder erven suchten,
Ontfangen hoop, om, uit die Nyltjes, te bevruchten.
De bleeke maaghden, die de maane niet sien schynen,
Behoeven langer niet, helaaci, zoo te quynen.
Och had ik Ionktys pen, wat kon ik al voor quaalen,
Genees'lik door den drank van Spadekreen verhaalen!
Gelyk rechtvaardicheit gehoont, niet onrechtvaardigh
De sonden swaarlik straft, noch tienmaal swaarder waardigh,
Zoo laat barmhartigheit den mensch haar straalen blinken,
Om geensins hoopeloos, in duister te versinken,
En helpt d'ellendigen, van veelerleije suchten.
Nochtans vergunde God men allerleye vruchten
Van heil, niet in de Spafonteinen konde soeken,
Op dat te verren deel des werlds, in andre hoeken,
Niet sonder geisingh leefde, en ander nat, en kruiden
Vergeefs niet waaren, om te helpen sieke luiden.
Om geenen afgod van dees heilfontein te maaken,
Waar naa de menschen, van natuur, lichtvaardigh haaken.
Dies hoeven menisoen, en koude gicht in beenen,
En handen, heupepyn, en milten hard, als steenen,
Geraaktheit, laasery, en duisend andre quaalen,
Geen troost, noch plaasters hier te hoopen, en te haalen.
Naa deese heilsters komt een deel van 't sieke Europe,
Elk jaar, zoo groot, als klein, in geen vergeefsche hoope.
Niet juist in maanden, die de letter r niet voeren,
Maar die, door reegenweer, de bronnen niet ontroeren.
Veel reegens stort daar veel, wyl 't dal, gelyk met pypen,
Het vochtigh wolkenswerk suigt neerwaards, dat aan 't sypen,
In d'aarde deur, en deur, der bronnen deuchd verbastert.
Maar dan blyft allerlangst de suidwel ongelastert.
Gesonde Luikenaars verschynen alle jaaren,
Om nieuwen voorraad van gesondheit te vergaaren.
Nochtans de maai gevolght, van alle soomermaanen,
Terwyl de daagen langh bequaame weegen baanen
Tot reisen, en 't vermaak der looverryke weiden
Den drinker lokt, om 't lyf, uit wandelen te leiden,
Naa afgedronken taak van 't daagelyksche waater,
Werd voor bequaamst gekeurt. Doch drooght het, 't zy ook laater,
Ia in de felste forst, als 't soomert in de gronden,
Dan werd het alsoo goed, ja allerbest bevonden.
Maar wie er baat soekt van de heilende kristallen,
Mach, als een dorstigh beest, niet aan den oever vallen,
Om meenighmaal zoo veel, als wellust zou behaagen.
Daar schuilen reeglen voor de blinden t' ondervraagen.
Des naanoens aangelandt, bevraaght men wie kan heilen.
Men kiest den besten, om in 't ooghmerk niet te feilen.
Wie is de beste dan de schepper der fonteinen?
Voor deesen moet men eerst het grootsche hart verkleinen.
Belyden, wat men lydt, om sonden recht te lyden.
Hulp bidden uit de bron van jesus bloênde syden.
Wie deesen Arts vergeet, vergeet der Artsen Vaader,
Vindt helpers helpeloos, en quaad der bronnen aader.
De toevlucht tot den mensch daar naa heeft dubble weegen,
't Zy in den kloeken Gaan, of Osieer geleegen:
Twee Luikenaaren, die hier Hippokratiseeren,
Ervaaren welke bron men hoeft, of moet ontbeeren.
Hy raadt naa 't aavondmaal, met wat gestoofde pruimen,
En weinigh dranks verviel, des morgens 't lyf te ruimen,
Aan lichte vuilicheit, tot baat van 't suivrend waater,
Al eer de derde dagh vreest voor den aaderlaater.
Syn neemlik voorschrift is te haalen, uit Apteeken,
Doorvreeven daadelmergh, in eedik eerst te weeken,
Met Turbit, Scammone, en kruiden seer verscheiden,
In hoonigh gekonfyt, als Kordus leert bereiden.
Of geeft siroop van roos, of Pers, of Spader pillen,
Of heiligh bitter, rha, of Kassie om te stillen:
Gevordert, met wat warms, van schaapevleisch gesooden,
Of sieker luiden kost, en drank, van bierenbrooden.
De voorbereidingh walght 's Apteekers kroes te drinken,
Maar wie geneesen wil, sie 't silver gaarne blinken.
Naa 't laaten, seit hy, drink voorts uit Pouhon dry toogen,
Uit zoo veel glaasen, die elk vyf paar oncen moogen.
Dus weer de vierde dagh, vermeerdert met twee dronken,
Vroegh van de Savenier gemeenelyk geschonken.
Werwaarts men gaat te voet, te paard, of in karossen
Zoo als 't den drinker lust of syne beurs kan trossen.
Met dat de bergen weer ontfangen morgenstraalen,
Ga vier, voor d' eerste twee, van Nimf Sabine haalen.
En met het seste licht gebied zoo langh te dienen,
Tot dat de reekeningh de cyffren kan vertienen.
Ervaaringh leerde, meer somtyts baart ongevallen.
Het soete riet te veel zal 't ingewand vergallen.
De maagh, met oovervloed van 't killend nat te pooijen,
Verkoudt, of door 't gewight gerekt, verliest syn plooijen.
Die dan in plaatse van geneesingh let genieten,
Beklaagen sich de reis, ontheiligen de vlieten.
Ook schaadt het oncenglas beneên 't getal van tachtigh.
Gelyk een halve drank des geisers, die niet machtigh,
Om door te werken, in het middelrift blyft wroeten,
Waar Ibis bek, om hulp, van onder in moet sproeten.
Om elken misslach, met een voorbeeld, te bewysen,
Is stof, maar niemand zal den langen rymer prysen.
Volhard by 't heiligh tal der neegen sangeressen,
Met haaren Prins Apol Fonteingod, en Godessen,
Een maand of twee, kom weer, naa 't eischen der weedommen.
Uitscheidende zoo daal allengs, gelyk geklommen.
Veranderingh van wenste, in meerdren, of vermindren,
Te haastigh, kan natuur, daar teegenstreevigh hindren.
Maar langhsaamheit die kromt de dorre rechte staaken,
Of kromt se zyn se recht, met niemendal te kraaken.
Ook zal de Meester dan de scheiders niet ontraaden
Te suivren, aaderlaat, en somtyds Akens baaden.
In 't drinken moet men elk geleedight glas versellen,
Met Venkelsaad, Anys, of suikre Oranje schellen,
Om winden van 't rauw nat met rupsinge te loosen.
Ook twintigh treen, en na elk derde langer poosen.
Langs trappen daalende, kan 't bet den maagh verwarmen,
Daar 't anders schaadlik is. Gelyk wanneer de darmen
Te gulsigh kouden wyn, hoe warmende verswolgen,
Daar door verkropt, korts aan het kodsen op doen volgen.
Nochtans om reegelwys het voorschrift heel te drinken,
Vermach men langer dan een uurtjen quaalik slinken
Het trapplen gins, en weer, om 't waater te doen sakken
Is pryselyk, gelyk de warme pyptobakken.
Daarom wie bedree warm, of vuurende, op syn kaamer,
De bronfles dicht ontfanght, drinkt weinigh onbequaamer.
Maar lyk er andre twee fonteinen heilsaam vlieten,
Zoo mach niet ieder siek de selvige genieten.
Lyk eene Apteekers doos niet elk gebrek kan heelen,
Zoo heeft ook elke bron iet sonders mee te deelen.
Verscheide breuken zyn, met een fontein, geholpen,
Maar sommigh moet gemenght, of van een andre golpen.
Wie hitsich van natuur de leever heeft te koelen,
Zal met het Tonneken de darmen maatigh spoelen.
Wie buiten drinkt te voet, de bergen doen hem sweeten,
Zoo dat het reusel smelt, dan dient er niet geseeten,
Op dat men niet verkou, maar vuur, of wat gewandelt,
Bedaarende, als men met besweete paarden handelt,
Noch strax gedronken van de winterlyke stroomen,
Om niet, door stremmlend ruet, aan arger quaad te koomen.
Het nut der bronnen, in ervaarentheit geleegen,
Werd naakt beweesen, uit de werkkingh, die se pleegen.
Wie oordeel heeft behoeft Galeen niet naa te loopen.
De plaagh geraakt, of niet, leert vreesen, of verhoopen.
Vraaght imand, en met recht, wat teiknen dat de bronnen
Vertoogen, dat se heur mirakelen begonnen,
Miraklen grooter dan der artsenyen seegen?
Kom boschwaards, hoor, en sie den voor, en achterreegen.
De waaterdrinker, die door Holland liep tonneelen,
En emm'ren waaters dronk, bronde, uit verheeve keelen,
Ook veelerhande wyn, maar Spaader waaterdrinkers
Fonteinen 't nat vervuilt, met kletsen, op de klinkers.
Aan andre draait de kop, als omgesweepte toppen.
Zoo dat het bange sweet langs 't aansicht rolt met droppen.
De broeken op de klink, de rokken licht te lichten,
Vlien schierlyk loofwaards, en ontlaân de buikgewighten.
Het groote, en kleine Spa bedauwt, en mest de boschen,
Van allen bly gesien, wat wormen dat se lossen.
Dan keeren naa het Spaa de stokken, koetsen, ruiters,
En planten langhs den wech schildwachten, neevens fluiters.
Gelyk de straat doorgaans bebeedelt werd van armen,
Zoo raadt de schuldge liefd sich oover hen t'ontfarmen.
Die dus genaadigh ons de leevende fonteinen,
Om niet geschonken heeft, leert schaamelen, en kleinen,
In syne plaats gestelt, van ryker beurs te leeven,
Laat willigh meedely dan, laas, een aalmoes geeven.
Wie wisser merk begeert, bewaar der nieren weide,
Dat door verborgen kracht van leeverbloed sich scheidde.
De vuiligheit die 't lyf, van onder, door twee keelen
Ontlaadt, deelachtich aan de sondigende deelen
Der ingewanden sleept klaarblykelyk het teeken,
In pot, en glas verbeeldt, Ferneels kompasche streeken.
Indien, gelyk gebeurt, aan al te vuile lyven,
De voor, of achterdeur geslooten wilden blyven,
Of beide onachtsaam, op de waatrige gebooden,
Om t'oopenen, vraagh raad, aan een der Heilinghgooden.
Het waaterdrinken heeft betaamelyke wetten,
Nu staat er op het noen, en aavondmaal te letten.
Gelyk de siekte werd, uit ooverlast, geoordeelt,
Zoo schaadt de wulpsche disch meer dan het waater voordeelt.
Men offere niet al wat lekkert aan de tanden.
De heilversoeker kan sich heeter niet verbranden.
Schoon 't laaken zy verguldt, met veel gesonde spysen,
't Is best, met een, of twee, den honger af te wysen.
De darmen nimmer zoo, als beulingen, te stoppen.
Waar door een sterke maagh noch 's aavonds heeft te kroppen.
De fyne schootels ook niet eeven draa verteeren,
Waar van de grofste dan quaadgyligh 't lyf beseeren.
Ook 't eeten wel gekaauwt. Min dan een uur geseeten.
Al schynt het dat men kout, langh sitten doet veel eeten.
De goude middelmaat in alle dingh gepreesen,
Moet noodigh, als het sout, de kroon des taafels weesen.
Wie niet gesint, het maal gaat koopen, soek gesellen,
't Zy dry, of neegen, meer van lachen, en vertellen
Versaadight, dan van kost. 't Is oirber sich te spaanen
Van verplaisierigers, en guls'ge Nomentaanen.
Men hoort, in 't Spade, voor die met de Sonne drinken,
De taafelborden net ten ellef uuren klinken.
Al is noch ieder glas de blaastap niet ontloopen,
Te lange vasten zou de maagh met slym bekoopen.
Naa niemand werd gewacht. De kok kan elk geryven,
Gesooden en gebraân. Wyl meest de buiken dryven
Van 't ongeloste nat, zoo keur de drooge speeten.
En 't maagerste voor 't best. Dies meer dan bloedigh sweeten,
De hyse van het schaap ontbraaden, en veel booter,
Waar mee gevoogelte is bedrupt, 't zy klein, of grooter,
Werd wyslik afgekeurt, voor sausse te gebruiken.
Veel booters maakt veel gals. De doopsels die wel ruiken,
Van suuren wyn, limoen, en heete speceryen,
Als peeper, naagels, look, en gember die gedyen,
Om schaadelyken dorst, t'ontvonken in de gasten,
En om de maage, al sat, als swynen, t'oovermasten.
Wat suiker, safferaan, muskaaten, die afdryven,
En rosmarynbloem mach men in de saussen vryven.
Wat lust den gast? De disch van 't schaamel dorp hoeft ryken,
In heeren spys, en drank, niet duur, geensins te wyken.
Haar schaap, en tamme geit beknabblen Hibles rysen.
De roopoot van Moreen geeft d'eere, aan dees patrysen.
Het Kooninghlyk korret is eel, gelyk korretten,
Nooit mocht Apicius syn tanden daar op wetten.
De Kalekoetsche haan, zoo pruts, als trotse paauwen,
Laat sich, als 't veldhoen, met de tonge, stukken kaauwen.
Gemeste Bruggenaars, en Londenaars kapoenen
Staan achter die van 't Spa. De haagelwitte hoenen,
Als Laakenveldsche, in gyl, zyn voor een klein, te koopen.
De Krammesvoogels, die gesond jeneever stroopen,
Van lysteren benydt, verquikken alle harten.
De quartel, leeuwerk, vink, en veele kleine starten,
Zoo nestlende in het veld, als opgeschoote looten,
Een dagh, of twee geleên, oostwaaijende geschooten,
Verlekkeren het maal. Maar vindtmen hier geen haasen,
Die immers, in het bosch, bequaamlik konnen aasen?
Die 't leelik aangesicht een maans quartier verschoonen?
Meer dan er knynen, in d'Egmonder duinen, woonen.
Maar wyl in twyffel hanght, wat voedsel datse baaren,
Zoo draai die spit alleen voor lustge Luikenaaren.
Hen schaf de kok Spasop, gestooft, gebraân, gebakken,
Van 't blaauwe kalf, het hart, het rhee, het swyn, en krakken,
En veele vischen, ver uit beeken, en rivieren,
Waar onder voornen, die een Pausendisch vercieren,
Die al swaarmoedigh bloed, en taaije fluimen teelen,
En wind, en steenich, met een aaderslot verveelen.
De dischknecht onder 't maal der brekkliken gebroeders,
Schenkt niet te swaaren druif, uit verne Moeselvoeders,
Een glas, of acht, zoo trouw, als uit de pars, gekoomen,
Op dat de rauwicheit van 't waater werd benoomen.
Lust u de proef eens van Aïsche, of Beaunsche wynen?
Ai lieve sie, hoe verwt de gloed van die robynen,
Door 't kristallyn, de hand. Ai proef met teugh, op teugen,
En riek hoe eel, een ziel veroudert moet verjeugen.
Wat hoeft men hop, en garst, by Brouwers gaar gesooden?
De waaterdrinker heeft geen slymbren damp van nooden.
Men geeve nu verlof het voorrecht op te ruimen.
Daar brenght men Spabeschuit, gestoofde ronde pruimen,
En peeren gekaneelt, in Santische rasynen,
Kraamsuiker, krenten, in Siviljes sonneschynen,
Gedrooght, Oranjen, en Maderische sukaaden,
Kandysich celeri, de noot t'Alep gelaaden,
Ompurpert oover groen, en pinglen van Katlooners.
Zoo endt het middaghmaal, en wacht op haar belooners.
De room, en parmesaan, en rauwe Spader fruiten,
Aanlokkelyk genoegh, maar pesten, blyven buiten.
De tweede taafel laat men laater voeghlik dekken,
Indien, de noen verteert, de maagh begint te trekken,
Gewoonelyk wanneer de klok heeft ses geslaagen,
Van ooverblyfselen der noenspyse opgedraagen,
Nu lichter, wat hartsjee, heneijren week in schaalen,
En 't selfde naagerecht van fruit der middachmaalen.
Des aavonds moet men sich aan kost, om soeter slaapen,
En met een leege maagh te drinken, min vergaapen.
't Saisoen des bobelyns, en voor, en naa den eeten,
Heeft ook syn reegels, om bequaam te zyn versleeten.
Zoo om een wakkren geest den ganschen dagh te houden,
Als alle vuilicheit te beeter te verdouwen.
De middaghslaap gemeen ontstaan van waaterdampen,
En 't noenmaal, zal het hoofd swaarmoedelyk beklampen.
De gal, ontrent die tyd, geneegen wegh te lekken,
Blyft anders in de pot, om door de leên te trekken.
Zoo schept de nachtrust ook, ontydelyk genoomen,
Beletsels in den maagh, en ongeruste droomen.
Dies is er oeffeningh gekooren na de tyden,
Waar imand, sonder leed, niet treeden kan besyden.
Indien de Sonne niet ryst met te heete straalen,
Zoo klimtmen langhs een bergh, en wandelt in de daalen,
Vermaakt om bloemen, die daar schoon in 't wilde tieren.
Wie plukt veelverwich, kan een hoepelstok vercieren.
Gaat by den Kapucyn, in 't klooster, berke bollen,
Door ypelaanen, langs verharde paaden, rollen.
Of oeffent binnens huis de voeten, en de handen,
Op sangh, of snaarenspel, met saftgereide branden.
De swakker, als hy voelt het sweet hem uit wilt breeken,
De sterke met hy hyght, laat meer beweegings steeken.
Met dat des Heemels oogh, naa 't west, begint te hukken,
Zoo kryght men kaart, verkeer, of twaalf, of neegenstukken,
Of onderhoudt met praat, met lachen, met quinkleeren,
Malkander, of versiert een spulletjen, met eeren.
Zoo 't vier slaat keert men naa de koele speelvalleijen,
Prikt met de wandelstok, of schiet, om 't netst, met keijen.
Dry uuren spaader noodt 't geberghte, aan andre kanten,
U, in het veld, ten dans, of tot speelsch landtrefanten.
Zy dan gewaarschouwt niet, op koude graasige aarde,
Te sitten, dat licht loop, en darmesnydingh baarde.
Ook eer de koude daauw, seer quaad, begint te vallen,
Te scheiden, uit het veld, in 't beste van het mallen.
Wie dan de kaarsen spaart, geleegen strax tot rusten,
Doet best, drinkt 's morgens vroegh de bron, met nieuwe lusten.
Wie dit herknaauwt, sich geist, met wel daar naa te stellen,
Dank God, en 't rym. Gaa t'huis gesond syn reis vertellen.


OM GENEESINGE MYNER MILTSIEKTE,
AAN DE SPAFONTEINEN.


     O nimfen van Ardennes woud,
     Waar steen, vol kreupel eiken hout,
De wolken, met die wilde kruinen,
Trotseert, op bergghelyke duinen,
     Waar langs de Son, vier maanden pas,
     Bekrachtight uw sarpvloeijend glas:
Fonteingodinnen alle viere,
Pouhon, Gerons, Ton, Saveniere,
     Metaalge waatren silverklaar,
     Die nu, zoo meenigh eeuw, en jaar,
Quamt bobblen, uit den diepen kooker
Der rotsen, wroetende deur ooker,
     Deur ysrich staal, rood kooper, loot,
     Alluin, salpeeter, kooperrood,
En soute, en swaavelige gronden,
Voor ongesonden, en gesonden,
     Het zy dat ghy hun quaal geneest,
     Of helpt die voor een siekte vreest:
O wonderwerksters der natuuren,
Verryksters van de Spagebuuren,
     Ik lydlingh, aan geen oopen milt,
     Maar die verstopt, my sonder stilt,
Ses jaar, gelyk een beul de leeden,
Pynde, als ik straaten dorst betreeden,
     Kom nu te Spa: maar niet te spaa,
     Om van uw heiligheit genaa,
En heil, aan talloos volk geschonken,
Die daagliks hondert oncen dronken,
     Met d'opgangh van den daageraad,
     Gereegelt met wel leevens maat,
Ook baat te bidden, schoon verlaaten
Van kunst, die my de ruggegraaten
     Ontmergelt heeft, door artseny,
     Met een waarschynlik meedely,
Zulks ik slechts leeve in vel, en bonken,
Gelyk Toloeser lyken pronken.
     Ghy door uw soete scherpicheit,
     En warmen aard, doorsnydt, verspreidt,
Drooght, loost, en suivert maage, en aâren,
Van slym, en gal, die krankheit baaren.
     Ghy lokt den honger wegh gegaan,
     Met kost, en drank, versaadloos aan.
Geen hongers nood van wolf, of gieren,
Verslindt zoo graagh geroofde dieren.
     Ghy kookt bequaame spys tot bloed,
     Dat vleissigh vet, om 't lichaam voedt.
Ghy doet de dorre harssens rypen.
Ghy vult de leege marrighpypen.
     Ghy geeft de seenuw sulken kracht,
     Dat hy syn plicht behoorlik wracht.
Ghy weederbaart den mensch, te vooren
Erbarmlik in sich self verlooren.
     Ghy sterkt de deuchd met sterker deuchd.
     Ghy maakt den sombren geest verheught.
Ghy, als het drinklik goud, ja waarer,
Verlenght het leeven, als men klaarer
     Kan toonen, in dit dorp alom,
     Waar 't stokkigh volk van ouderdom
Vereeuwt, uitgaande als endjes toortsen,
Onaangeraakt van heete koortsen.
     Heilbronnen myn gesondheits hoop
     Steunt enkel, op uw waaterloop:
Om, door die koele goede teugen,
Myn jeughd veroudert te verjeugen:
     Lyk jeughdigh half vertreeden gras
     Weer opluikt, deur een reegenplas.
Dan zal ik u geen offerhanden,
Van geitekens, of biggen branden,
     Verguldt, met cierelyk gebloemt,
     Ook niet, met wyn, die Rinkauw roemt,
Begieten, maar met lauwerbeeken,
Die eeuwigh, uit Parnassus, leeken.
     Al wie er quynen gaat van pyn
     Om 't hart, of paddestoels fenyn
Opslokte, of met graveel, of steenen,
Met waatersucht in dikke beenen,
     Met loop, of wormen werd gequelt,
     Of van een andre siekte ontstelt,
Want ghy kont veelerlei geneesen,
Zal ik zoo reederyk beleesen,
     Dat Suid, en Noord, en West, en Oost,
     By elke Godheit heul, en troost,
Van jaar, tot jaaren, zullen soeken,
Met knielingen in uw vier hoeken.


TER EERE VAN DE FONTEINE SAVENIERE.


Belhainimf Kooningin van 't boomryk heilsaam beekjen,
     Van oostwaards, met een maager streekjen,
Geborsten, uit een rots, wel waardigh een Sabyn,
     Die u, als Ombers kristallyn,
Godvruchtigh kroonde, met een marmere kapelle,
     Voor 't arm verdek, langs uwe quelle:
Oudste eeuwkroon van het Spa, waarschouwster, als ghy mort,
     Gelyk Geronster soetjes knort,
Dat dan des Heemels schoot, op 't uiterste, om een reegen.
     Voor 't land, te baaren, is geneegen,
Uw naam ook van Sabyn, door 't oorloghsheir van Luik Vernielt,
     ontrent uw waaterkruik,
Zy naamaals meer geeert, dan Swalbaks heilbre sprengen,
     Waar Frankforders hun sieken brengen.
Uw suivrende aader, my een dochter van Pegaas,
     Waar ik te stolts van snork, en blaas,
Vereert myn dankbre milt, voor meesterlyk geneesen,
     Met rymen om de werld te leesen.
Maar ach, die zoo een Nimf syn rympapier toewydt,
     Toont wat hy vreest in korten tyd.


TER EERE VAN DE FONTEINE POUHON.


Schoondochter van de swaavlige ysermynen,
     Marktcieraad, hartaâr van 't nieuwe Spaa,
Haar beste bier, haar Klingenberger wynen,
     Haar lyfsbeschut voor krankheits ongenaa,
O tweede bron van twee paar heilriviertjes,
     In 't wildste van Ardennes Paradys,
Waar koud geboomt schaars galmt van vlugge diertjes,
     O eedel nat, misschien ook ruim zoo grys,
Dat ghy voor ink, aan Plinius, verstrekte,
     Toen hy alwys de Tongerquel verhief,
Wat fyne tongh was 't, die u eerstmaal lekte,
     Met kennis van uw heilende gerief ?
Die vroome tongh heeft niemand ooit gesteeken,
     Met swart fenyn, haar handen blonken schoon,
En niet bemorst, met een schavotbaar teeken,
     Om moord begaan, aan Vaader, Broer of Soon.
Haar kundigh brein doorsnuffelde natuuren,
     Ervoer wat, uit uw soete sarpe bron,
Al voor metaal getrokken wierd door vuuren,
     En of hun kracht nieuw leeven baaren kon.
Men pryse my Paus Pauwels bruisfonteine,
     Of 't vallen van Fraskate, door Ruel,
En Liankoert fraai naagebootst, in 't kleine,
     Onnutter dan de kleinste soeter quel.
Ik prys Pouhon, die 't vlekjen der Barbaaren,
     Te Spa vergroot, en beetre taalen leert,
Uit elk gedeelt van 't siek Euroop bevaaren,
     Zoo draa de Son April den rugh toekeert:
Om walgeloos, uit d'omgekomde randen,
     Van blaauw arduin, uit Namens harde myn,
't Safierlyk nat, tot heil der ingewanden,
     Gepynight van verscheidelyke pyn,
't Spyte artsenye, en 's apoteekers vysel,
     Te drinken, God heb dank, om niet een brysel.


TER EERE VAN DE FONTEINE GERONSTER.


     Ik had, geloof nakoomelingh,
     Al luidt het seldsaam, wat ik singh,
Ten suiden met achthondert schreeden,
     Ruim verder, dan de Savenier,
     Van 't Spa, haar heilige rivier
Begint, den Donderbergh betreeden:
     Was neergeleegen moe, en mat,
     Langs eikloof, by Geronsters vat,
Met Naamer, en Dinantsche steenen,
     Door 's Brandenburgers Kaamerheer,
     Voor heil, gekroont met zulken eer,
Los in een soeten droom verdweenen.
     Zoo als der dichtren God Apol,
     Omlauwert, uit het Pitisch hol,
Verscheen, in heldre morgenstraalen.
     Syn gulde rechter hiel een lier,
     En syne slinker blauw safier
Gewrocht, als Ganimedes schaalen:
     Hoe meenigh once, als 't Musental,
     Met Febus maakt, scheen dat kristal
Van vloeijende metaal te draagen.
     Hy schepte tienmaal, uit de bron,
     En schonk my dat ik drinken kon,
Zoo dikwils sonder eens te vraagen.
     Toen dween hy met dat Heemelsch licht.
     Ik wakker, lustigh om een dicht,
Ter eere van Geronsters springen,
     Begon, op d'elpenbeen klauwier,
     De snaaren van myn vadsche lier
Te stellen, en dus op te singen.
     O staal'ge, en swaavlige fontein,
     Die om u groene wandelplein,
En konst, en kostelyk gemetsel,
     Een oopenende swaavelaâr
     Verliesende, onder een pilaar,
Zoo 't waar is, hield een deerlyk letsel.
     Meewaarburgh van het vrye Spa,
     Van 's oorloghs schendende ongenaâ
Verschoont, als andre dorpen branden,
     Om dat ghe, sonder onderscheid,
     In volk, van elk quartier verbeidt,
Geneest de stervende ingewanden.
     Pelgrimster die schier, als Pouhon,
     Langs 't schynsel van Europes Son,
Verreist, in dichtbepekte glaasen,
     Wegh schenkende uw gesonden schat,
     In meenigh kooninghlyke stad,
Aan rykdom, en gekroonde baasen.
     Ghy spant de tweede kroon van vier,
     Om heil, voor pyn, in milt, en nier,
Door sweeten, waatren, stillen, braaken.
     Wie dan den goudaar blyde vindt,
     Die hy verloor, is quaad gesint,
Dart hy uw kroon, om hinder laaken.


TER EERE VAN DE FONTEINE TONNELET, OF TONNEKEN.


Hoe hiet oudst Tonneken, Noordoostwaards, van dit dorp,
     Een welgelaaden gootlingh worp,
Uw Nimf in 't nieuwe bosch, schuin schaauwloos broekigh gras,
     Te swemmen, in salpeetrigh glas,
Voor schaars besoek verhit van leever, en van maagh,
     Verslimmert door een reegenvlaagh?
Ghy, met uw buurnimf, als de tweede Savenier,      
     Beide arger, dan de vier,
Al hebt ghy, anders graagh, myn proefaâr maar voldaan,
     Draagh echter van myn lauwerblaân,
Geen flaauwer ciersel, dan Remak gemytert, op
     Het steenblaauw, langs 't Pouhonnersop.
Voor uwen morgenkelk beschenkt my Bacchus rank,
     Op 't noenmaal, met syn Moeseldrank
Die warmende verheught, en dampbre teugen dryft,
     My, van uw susters, ingelyft.
Vaar wel, kook eeuwigh heen, heeft Holland uws gebrek,
     Ik wys 't na uw gesonden lek.


TER EERE VAN DE FONTEINE NIEUWE GERONSTER OF KLEIN TONNEKEN.


Arm Tonneken dat uit Rechon, vol harde dennen,
     Geensins, maar eik, en boekloof bront,
Gelyk een siende pot, waar langs de waagens mennen,
     En 't voetpad gaat, dicht by den mond
Van Donderberghs Fontein, ik drink Sabinus stroomken,
     Dat uit Belhai vliet, en het Spa,
Nu schaars, vernoeghder met uw swaaveliger boômken,
     Ook beeter dan Gerons te staa.
Al raadt Galenus Gaan, met voor, en achter oogen,
     Het af, als sorgelyk bestaan,
Wyl Heers ervaarentheit ook swyght van uw vermoogen,
     Ik dar het spoor van andren gaan.
Ik die uw deughdsaamheit, voor andren leerde kiesen,
     Zal meester zyn, en hy schoolier.
De straxsche gall'ge stoel, de slym, en kiemge vliesen,
     Uit aaders, en 't rood gruisich nier,
In 't waaterglas geset, verbeelden oopen werkingh.
     Indien de swaavel 't leeverbloed
Verbrandt, Geronster salft het weer. Ghy geeft versterkingh,
     Tot wat de maagh verduuwen moet.
O troostelyke bron genees my van myn quaalen,
     Ghe staat zoo arm dan, als ghe staat,
Uw gebuurin mach, met Dinants bros marmer, praalen,
     Op Bourghdorps milde beurs, om baat,
Aan hem geschonken, ter gedachtenis verheeven,
     Daar werd in d'ongebooren tyd,
Licht ook van 't Hof Berlyn, dat uit u zal herleeven,
     Uw deuchd een tempel toegewydt,
Door netter Fidias van Italjaans albaster.
     Waar elke sieke een taafereel,
Van wormeloos cypres, of stoffe noch veel vaster,
     Bemaalt met een verguldt penceel,
Van syn geneesen leed, voor erven, zal toonneelen.
     Dus braaf schreef 't artsloos Griekenland
Geheelde siekten, met de middlen, om te heelen,
     't Zy bron, of myne, of wat men plant.
Waar uit de Koër, Prins, en Moses der geneesers,
     Geleerd het eerst-geneespapier
Gereegelt saamenbracht, tot oeffeningh der leesers,
     Belust te weesen syn schoolier.
Zoo myn voorseghsche pen hier in mocht feilen, echter
     Zult ghy, die, met de waatren, twist,
Van Helikon, om eer, geen eenigh haair te slechter
     Den dagh verduuren, gevernist
Van Hollands Poësye, op eeuwiger papieren,
     Gedicht, toen 't weerbaar Valencyn
Beleegert door den Held Tureen, door storremvieren,
     Van Mars joan, by starreschyn,
Zoo los brak, dat die krak gansch Vrankryk deede kraaken.
     Zoo dwinght 's Araabers jaagertoorts
De Leeuwen brullende hun prooi, en nest te slaaken,
     En naajaaght, en vernieltse voorts.


SPASANGH. OP DE WYSE VANDEN 6. PSALM.


Almacht die voort doet koomen,
Uit onderaardsche stroomen,
     Of diepgesmolten lucht,
Veel bronnen, door gesteente.
Geneesende 't gebeente,
     Dat sonder hulpe sucht.

Ghy die, tot 's werrelds wonder,
Het arme Spa besonder
     Verrykt, met meenigh bron,
Die veelerhande kranken,
Verwelkt van walgbre dranken,
     Min walglik heilen kon.

Wy al te langh, aan 't quynen,
Van rusteloose pynen,
     Gekoomen, in dit dal,
Om teugen van het Spade,
Aanbidden om genaade,
     En hulp uit haar kristal.

Hoe veele sieke zielen,
Gekruit op waagewielen,
     Hielpt ghy uit west, en oost!
Och, laat onse ingewanden,
Alleen niet uit uw handen,
     Naa huis gaan, ongetroost.

Met zoo veel duisend harten,
Geheilt van swaare smarten,
     Dankoffren wy te saam.
Zoo 't anderen vergaaten,
Wy zullen doch niet laaten
     Te prysen uwen naam.

Dat wy zulk heil genieten,
Zoo drenk ons eerst met vlieten,
     Uit Iesus bloedfontein.
Heilt ons van boose sonden,
Oorsaaken aller wonden,
     Zoo werden wy gansch rein.

Daar toe sterk ons gelooven,
Dat bergen deur kan klooven,
     En setten uit de stee.
Wat menschen u behaagen,
Die, door 't geloof, niet saagen
     't Verydlen van hun wee?


WILD TUILKEN, AAN RAIMOND DE SMETH.


          De Smeth, die ryk de koopmanschap,
     En sorgbre handelingh laat vaaren,
     Om 't oovrigh deel der gryse jaaren
          Gerust te daalen, van den trap
Des leevens, dat vol smert, en woelery,
By veelen gaat onnuttelyk voor by
          O soomerbuurlingh langs de Vecht,
     Zoo schoon, met hooven, en palleisen
     Bebouwt, vermaaklik voor die reisen,
          Na 't Muider slot, nu krom, dan recht,
Haar soeten vliet afschietende ter zee,
Gelyk de Brent, in 't sout, om Markus stee:
          Ik ben geen tuilken uit uw hof,
     Die net besaait, van hoovenieren,
     Syn bloemen voortbrenght goedertieren,
          Van alle slach, tot 's meesters lof,
Wan verwe, en lucht, bejaarden, of de jeuchd,
Den neus, en 't oogh verlustight, en verheught.
          Ik ben van uwen Neef vergaart,
     In 't Bosch Ardennes, en de weijen,
     Schraal tierende, op 't geberght van keijen,
          Milddaadigh van natuur gebaart,
Na hy van 't Spa, om syne miltepyn
Te heilen, dronk Geronsters kristallyn.
          Merk myn verscheiden reuk, en kleur,
     Meer dan met tachtich eige naamen,
     Die meenigh bloementuin beschaamen,
          Verciert met weingerleije keur,
In Holland al te kostelyk geplant,
Ontbooden uit geen naageleegen land.
          Van sulk aanloklik veldgewas
     Weet Koridon een krans te vlechten,
     En die syn lief, om 't hoofd, te hechten,
          Wyl sy de schaapjes hoed, in 't gras:
Dat bly cieraad behaaght de harderin,
Voor sorglik goud, op Medens Kooningin.
          Gelyk ik van zoo meenigh steel
     Gesneeden, tot een niet verslense,
     Zoo gaat het met den broosen mensche,
          De dood die grypt hem by de keel.
Het menschdom is niet anders dan een blom,
Die in syn jeughd vergaat, of ouderdom.


OP HET DOODEN VAN EEN SLANGH.


Ik was van daagh al oover hondert jaar,
     Wyl 'k met myn Spader doornemantel,
     Uit beide Spain, vermaaklik trantel,
Langs heuvlen, schraal van rog, en haaveraâr,
Naa Barissaar de stoppende fontein,
     Van niemand, sints ik wierd beschonken,
     Van andre bronnen, ooit gedronken,
Zoo stip ik, in een gras, en vaarenplein,
Op 't ribbeen van een groote rosse slangh,
     Half krullende om een appelwortel.
     Die stofvraat, naa een krom gesportel,
Gebeeten, met de spitse gifte tangh,
Uit synen bek, sprong vinnigh op my toe,
     Gelukkigh door myn stok ontvlooden,
     Toen schier de stok des boôs der Gooden,
Den Heemel weet, hoe dat ik was te moe.
Het vermiljoen, van 't heilende aangesicht,
     Was meer verbleekt, van doodsche schrikken,
     Dan toen die grooter slangeblikken,
My ongesond, naaschooten, als een schicht,
By Oristan, alwaar ik dagh, aan dagh,
     Door Zeegeraas, en teegenweêren,
     De wolven sach, in schaapekleeren,
Als Naso, in 't Barbaarisch Pontus, sach.
Ik slongh den staf, op scherpen steen, zoo swaar,
     Dat 's duivelsstaart daar heene rolde.
     Noch gaf het spul, eer ik hem bolde,
Nu ben 'k God dank geen seevendartich jaar.
Of ik die, naa de neegentiende straal,
     In sprokkel, noch ver t'soek, zal schryven,
     Laat ik onseeker heenen dryven,


VAN 'T SCHAAPEVLEISCH TE SPA,
AAN RAIMOND DE SMETH.


Neef, toen ik dankbaar korts te gast,
Uw braaden schaap, myn hongers last
Dee boeten, sonder aan kalkoet,
Kapoen, of haase quaade, of goed
Te doen, zoo preest ghy 't Wieringh lam,
Voor wat, om 't Spa, van ooijen quam,
Vlak teegen elx getuigenis,
Van die hier was, en huiden is.
Al spreekt ghy voor het Vaaderland,
Het teegendeel zy my geen schand.
Want gun, dat eer ghe op saaterdagh,
Naa Aken, dat nu elk besach,
Om haar verwoestingh, door het vuur
Des luchts, schier huisloos, met den muur
Gebleeven, zult naa Holland gaan,
Deur Keulen, waar ghe zyt van daan,
Den wynbren Rhynstroom of van sin
Te vaaren, met uw gemaalin,
Ik, van myn kooker Daniel,
U eens een achterbout bestel.
Die niet bebootert, onder 't braân,
Gelyk van Nichte werd gedaan,
Maar onbedrupt syn bloedigh sweet,
Voor saus geeft, als de koksgast eet.
Van spit geschootelt, niet te gaar,
Naa d'oude sleur van d'Amstelaar,
Die met syn graagen honger peis
Besluit met minder voedsaam vleisch.
Noch bloediger dan d'Engelsman,
Dat niemands maagh licht teeren kan,
Waarom die vleischvraat daar, zoo bleek,
Een wreeden Brasiljaan geleek,
En 's leevens tyd, den mensch bepaalt,
Tot tachtich jaaren, schaarser haalt.
Als 't een by 't ander werd gedischt,
Zoo proeftmen beeter wie er mist.
Ik hou men ons naast Languedok,
En naast Madril geen aangefok
Van droogh, en kruidigh schaapevleesch,
Zoo smaakelyk, noch tiersaam wees:
En dat kapoen, patrys, kalkoet,
En haas voor schaapen wyken moet.
Of roep, en straf my, zoo ik mis,
Met Spader schaapen aan uw disch.


TROUWEN RAAD OM NAA HET SPA TE KOOMEN AAN KATARINA SIX &C. MYNE SUSTER IOANNA IULIENS, HUISVROUW VAN DR. WILHELM BOOGAARD, SUSANNA IULIENS, HUISVROUW VAN KORNELIS SIMONS VANDER LOEF, MYNE MOEIJEN.


Stoppende milten, die de syde ontstellen,
Steenige nieren, die de blaase quellen,
Dorstige lyven, die van waater swellen,
     Geloof myn sangen.
Wilt ghe geneesen? wie wilt niet geneesen?
Volgh geen geneesers, die de beurs beleesen,
Om, van Apteekers, als de beul te vreesen,
     Uw heil t'ontfangen.
Liever bekostight, naa het Spa te koomen,
Waar men van 't Gasthuis sachter aangenoomen,
Selden, naa 't drinken van de heilbre stroomen,
     Keert ongebeetert.
d'Amptman van Kortryk, zoo seer, van graaveelen,
Daagliks gemartelt, dat syn wangen geelen,
Dryft met Geronsters sterken vliet kareelen,
     Graauw gesalpeetert.
't Waardhuis de Meulen, te Maastricht geheeten,
Zal flus haar meester, dikker omgemeeten,
Dan de Bredaton, van de sucht vergeeten,
     Bly rank ontfangen.
Wy, wy vermeestert, eeven seer vol pynen,
Wy, die een schaaduw, meer dan lichaam, schynen,
Voelen de miltsmert wonderlyk verdwynen,
     Na suur verlangen.
Suster, ook somtyds met dat deel verleegen,
Moeike, wiens lenden seer van steengruis weegen,
Moeike geswollen, als een blaas van reegen,
     Sacht vol gesoogen,
Liefsten, ik bid u, om u beetervaaren,
Draal niet, met reisen, naa de Spabronaâren,
Die de verlooren heilinge bewaaren,
     Maar kom gevloogen.


TYDKORTINGH TE SPA, AAN RAIMOND DE SMETH.


     Den dagh, die voor dry uuren kriekt,
     En in het berghgroen lieflik riekt,
Naa neegen, syne lichtgardynen
Toedoende, valt den bobelynen
     Verdrietigh, en te langh, zoo draa
     Se dronken, van de bron, te Spa:
Dat Noordwaards, op Spalouberghs teenen,
Dat Suidelyk, langs laager steenen,
     En Oost, en Westwaards hyght te voet,
     Eer 't, op een bergh, een bergh ontmoet.
Wyl andren dan, in 't boek verkeeren,
Dat beedelaars maakt ryke heeren,
     En ryke heeren beedelaars:
     Wyl andren met niet min gevaars,
Het been, met eenentwintigh oogen,
Drymaal verdubbelt, op de toogen,
     In Fransche kraamen, om een prys,
     Of geld, om geld, op 's lots gewys,
Stout tergen, om het hooghste raafel:
En andren, aan een andre taafel,
     Met Meffert speelen 't argh piket,
     Om een beschildpadt kabinet:
Om zoo den dagh ten eind te brengen:
Weet ik dien nutter niet te lengen.
     Het zy ik, met de volle maagh,
     Het klooster, langs den ypen haagh,
Kapucius ten dienst geschonken,
Herkruisse, op dat de waatren sonken.
     Het zy ik, naa den Rourots, gaa.
     't Beginsel van het oude Spa,
Waar Parma t'huis, in riete hutten,
Het waater dreef, met waaterputten.
     Het zy ik moeshof, boogaardooft,
     Berghweide, en waarmen graanen schooft,
Door laan, aan laan van haaselaaren,
Van slee, en braamen, wil doorwaaren.
     Het zy ik, uit des smelters schuur,
     Het staal van sindel, door het vuur
Gesuivert, smeeden sie tot staaven,
Van Ciklops sweeterige slaaven.
     Het zy een tweede, als ik gesint,
     Met my gespraaksaam onderwindt,
De hooghte van Spalou te meeten,
Met traage treeden, sonder sweeten,
     Om, uit het aakerloose groen,
     't Omleggend landschap op te doen,
Al bergen, hoe men sich gaat setten,
Vol groene kleên, en gou servetten.
     Het zy wy in het Kreperhout
     De halve bokken, met de woud
Godesjes, onder eike transen,
Op Sirinx fluitjes, hooren dansen.
     Of 't zy wy, voor zoo moeden straat,
     Geleegen verre van het Spaad,
De kuijerende voeten stuuren,
Naa 't dal van vier, of seeven uuren,
     Aldaar een veurgepinden tak
     Ombuitlend, wie in d'aarde stak,
En wie den stok, om veer gestreeken,
Weet, met syn prikkel, deur te steeken.
     Of kyken, hoe een Nimfenrei,
     Voor maaneschyn, door aangelei,
En strengelingh van Princehanden,
Op veel, en violons de branden,
     Met luchte pasjes, ringlings meet
     Zoo soet, dat waar elk Nimfje treedt,
De klaaver, van die ambre sooltjes,
Gekust, verandert in viooltjes.
     Of 't zy ik t'huis alleenich ben,
     Nooit min verselt, dan als myn pen
My antwoordt, met een soete reeden,
Uit Poësys bevallicheeden:
     Die ik, ter eer van 't Spaa, myn Neef,
     Tot synen dienst, geneegen geef.


RAAD OM NAA 'T SPA TE KOOMEN,
AAN ALLE MILTSUCHTIGEN.


     Ik leek de duistre wreede vraagh
     Van Sfinx, verargrende alle daagh,
Begost te vroegh, na d'aard te bukken,
Daar leggen nu de loome krukken.
     Wie my den snellen Ladas heet,
     Van voogels, als Merkuur bekleedt,
Faalt luttel, want ik kan schier vliegen.
Geen swaare droom sal meer bedriegen
     De vuilnis maagh, die boose milt,
     Is wegh, en uit het lyf gevilt:
Als doenelyk bepleit van veelen.
Zoo schiep dan God onnutte deelen.
     Hiel ik dat deel noch neeven 't hart,
     Dewyl ik leef, waar bleef myn smart,
My kneevlende, als de rechtspalleijen?
De nooit volpreese waaterreijen,
     Die ik noch alle morgen slorp,
     In 't heilsaam nieuwe Spaderdorp,
Verbraaken met vermooge handen,
De seevenjaarge strenge banden,
     En suiverden, naa veel gedulds,
     Den oorspronk selve mynes schulds.
O leevenswalgers om de milte,
Kom herwaarts, hier vliet salf, en stilte,
     Uit rotsen, met een staagen stroom,
     Bequaamer dan een balsemboom.
Kom herwaards, want versonde lakken
Zyn slapper dan de bronnebakken.


VERANTWOORDINGE, OOVER EEN BRUILOFTDICHT,
BERISPT DOOR RAIMOND DE SMETH,
AAN DEN SELVEN.


De Smeth, die elke reeden meet,
Met reeden, eer ghy die besteedt,
Die met gewooge woorden boort,
In 't hart van die u lydsaam hoort,
En pryselyk dus voordeel doet:
Verstandigh man, van Moeders bloed,
Myn Neef, van uit het vyfde lid:
'k Herknaauw, van toen 'k met u verhit,
In 't heete weer de tengre beek,
Die door half droogh gesteente streek,
Van 't ruigh geberght, met klein gerucht,
Naa 't Spa toe, traagjes op de vlucht,
Doorstapte, uwe ampre jokkerny,
Die myn geringe Poësy,
Uit gunst, gerymt ter bruiloftfeest
Van Joos, die u en eert, en vreest,
Als synen Oom, en Vaaders Broer,
Wes hy maar noch te beeter voer,
Beschuldighde van vrouwlikheit,
Als al te veel de Bruid gevleit.
De bruiloftstoffe leent men van
De Bruid, en haar getrouwden man
En naa de lesse van Pontaan,
Van elkers Vaaderland, en daân,
Van bloed, van deughd, van schoone leên,
En honderden omstandicheên,
Na imand kort wil zyn, of langh:
Hoe liefliker, hoe schooner sangh.
Het weiden van myn swaanepluim
Was in het lofryk oopen ruim
Van schoonicheit der eerbre maagd,
Op 't minlikste, als de min behaaght.
Maar reeken eens wien dat ghe laakt,
Want ik ben allerminst geraakt,
Om dat myn dicht gestoolen wierd,
Uit Nieuwhuis, die de school bestiert,
En reederykheit t'Alkmaar leert,
Naa 't voorschrift, als het Vos begeert.
Die geest volght, in syn schoon Latyn,
Katullus, en den Venusyn,
En menght fraai Griekens poësy,
Ter tyd van Venus koosery.
Doch heb ik lykewel gemist,
Zoo heeft myn bloedsucht sich vergist:
En van een naabestaande vriend,
Lyde ik dien ondank onverdient.


AAN SIMON DILMAN GENEESHEER T'AMSTERDAM.


Keer.

Neef zoo geleerd, en zoo ervaaren,
     Om voorsicht, ook van luk
Gekroont, als ghy sieke Amstelaaren,
     In troosteloosen druk,
Vertroost, en op gesonde beenen
     Herstelt, waarom hielpt ghy
My, die zoo langh gingh krochen, steenen,
     Van pyn der miltesy,
Vergeefs, met kunst van God gegeeven,
     Sulx ik aan 't verre Spa,
Waar twee paar heilbre bronnen leeven,
     Om heilingh gingh te raa,
En myn gesondheit heb ontfangen?
God wou die eer geen menschen langen.


Teegenkeer.

O wyste Vaader der gesondheit,
      O grondeloose put,
Waar alle schat gegrondt leit,
     Indien zoo kostlik nut,
Dat silvre bergen, goude stroomen
     Voor by streeft, in waardy,
My door den mensch waar toegekoomen,
     Ik kon syne artseny,
En groote konst niet wel betaalen:
     Nochtans se waar betaalt
Voor kruiden, uit d'Apteek te haalen,
     
En elken gangh gehaalt.
Maar Heemel wat 's er u te geeven?
Niet anders dan een dankbaar leeven.


DANKBAARHEIT, EN AFSCHEID AAN 'T SPA.


     Tweehondert tachtich huisen vak,
Bedrieght de hooghte niet myn tellingh,
     Twee kerkjes, en een kloosterdak,
Tweemaal bebeekte omberghde dellingh,
     Korts bosch, nu in een goede locht,
Op wortlen van dees rots gegeevelt,
     Die, hoe hardnekkigh, dikwils krocht,
Als storm syn klemmende eiken kneevelt:
     Arm, roemryk Spa, zoo wyd geroemt,
Als 't Prinsdom van de Luikenaaren,
     Niet om de werldkloot wierd vernoemt,
Om uw gesonde waateraâren:
     Ik scheidt naa 't lief Vaaderland,
Naa neegen wel gedronke weeken,
     Geholpen aan de beeterhand,
Van prikkelende miltgebreeken.
     Wat wilt ghe voor getuigenis
Van reede dankbaarheit verwachten,
     Van een verplicht, en bly gewis,
Voor 't weederbaaren myner krachten?
     Een Kooningh, of een Kooningin,
Of ryker, dan men my mach peisen,
     Die naa Lorettes kluisgodin,
Of vrouw van Scherpenheuvel reisen,
     Elk door mirakelen vermaart,
Die nergens zoo, als daar geschieden,
     Gaan met een kroon, of roosegaard
Van goud, om haar die aan te bieden,
     Voor merklik heil, door kunst ontfaan,
In geen geneeseloose quaalen:
     Maar 't wonderwerk, aan my, gedaan,
Is grooter, wat zal ik betaalen?
     Al zyt ghy schaamel, schaars van geld,
Noch goud, noch silver zult ghe vraagen,
     Dat heeft uw armoe self getelt,
Met hondert Patakons geslaagen,
     In Braband, Spanjes Hertoghdom,
Aan Heer dien gieriger geneeser,
     Dien pracher, op dat hy alom
Vereeren zou den wydsten leeser,
     Met druk, in d'algemeine taal,
Den lof, en deughd van uwe quellen,
     Die in Ardennes hier viermaal
Om 't heilsaamst uit den boodem wellen.
     Waar op de werld, van alle kant,
Met sieken, herwaards aan zou vloeijen,
     En ghy, zoo 't Gasthuis van elk land,
Mocht voor die renten heerlik bloeijen.
     Gelyk ghe jaarliks meer besocht,
Staagh uitdyt, en van flesseseegels,
     Langs 't dorp drypoortge muuren wrocht,
En weegen dekt met rotseteegels.
     Gelyk het borgertal vergroot,
't Bosch, als de goudeeuw, sonder paalen,
     Nu van den Keurvorst toegeloot,
Elk doet syn eigen houten haalen.
     Sulx dat uw oudren, uit hun saad,
Eer 't vierde lid verhoopen derven,
     Een stad, waar nu een dorpje staat,
Waarom de nyd noch zal besterven.
     De puike heilbron van Isier,
Van Stavlo, of den Malmedyer,
     Kreegh andersins die hoofd laurier.
O loosheit van dien beursesnyer?
     Het kostelykst, en aangenaamst,
Besluit ik dan, in faam, geleegen,
     U nutter, en myn beurs bequaamst,
Ook tot de Poësy geneegen:
     De Poësy, die door haar kunst,
En hel basuin, van Dafnes loovren
     Omkranst, den grootsten naam, en gunst,
Om 's Heemels einden kan veroovren.
     Met zulken kroon zy dan gekroont
Zoo meenigh bron, als hier in 't rond leit.
     Ik niet loongierigh keer geloont,
En wensche aan u, en my gesondheit.


VAAR WEL, AAN 'T SPA.


Wanneer het hondsch gestarnt de menschen schynt te blaaken,
Zoo raadt Hippokrates d'Apteek niet aan te raaken.
     Maar Spaas gesonde Nimf, meestresse in artseny,
     Genas, in 't heetste van het jaar, myn sieke sy.
Alsoo wanneer de kat, en geile kaater krollen:
Wanneer, in 't dorren van den herfst, de blaaders rollen,
     Waar 't geensins oorberlyk het kraakende ingewand
     Te roeren, met een drank, uit d'Apoteekers hand.
Maar deese heilbron, die mistroostigen weldaadight,
Geist sieken, zoo maar 't weer met drooghte begenaadight.
     O heldre putsafier des heilgen Nimfs kapel,
     Ik offer voor uw heil, en wensch, vaar eeuwigh wel.