J. Slauerhoff

Legende van de zee

Het gebeurde in de tijden die aan de stichting van Peiping vooafgingen. Een avond lag in de haven van Foe Kiën een grote jonk zeilklaar om over te steken naar Tainan. Het schip was zwaar bevracht en de reizigers zaten in dichte drommen op het dek. Enige ogenblikken voor het vertrek verscheen een jonkvrouw Ah Mao en vroeg een plaats. Geld om de reis te betalen had zij niet, en het schip was vol.

Wenend hield zij de verschansing vast; de matrozen sloegen met een riem op haar handen, zodat zij bloedend los moest laten. Maar het schip kon niet van wal loskomen; zo zag men dat zij een tovenares was. Onder de passagiers ontstond reeds beweging om het schip te verlaten. Ko Tsin Ga, de kapitein, beval haar weg te gaan.

'Neem mij mede,' smeekte zij. 'Zie mijn voeten, ze zijn zo klein, ze nemen geen plaats op het dek in. En mijn lichaam, zo slank als een lelieblad, ik kan het opvouwen. Ik zal niemand verdringen. Neem mij mede,' zo smeekte zij.

En Ko Tsin Ga stak haar de hand toe, zij sprong aan boord en meteen was het schip midden op de rivier, waar het had moeten zijn als het op tijd was vertrokken. De passagiers schreeuwden dat men de tovenares verdrinken moest. Het volk oproerde, want Ko Tsin Ga had het gracieus lijfje van Ah Mao op de donzen kussens van zijn kajuit gelegd, onder voorwendsel dat er anders geen plaats was. En zij werden gegeseld als er een vrouwe in het vooronder gevonden werd. Maar de kampanje was een fort, Ko Tsin Ga sterk als een draak; geen van hen dorst de aanval te wagen. Maar toen de volgende dag een taifoen de jonk teisterde en zuidwaarts dreef, hoe langer hoe verder van Tainan af, riepen de reizigers en bemanning in koor verschrikt, de tovenares.

Ko Tsin Ga was intussen op de schone verliefd geraakt en weigerde. Toen wilden matrozen en passagiers verenigd de kampanje bestormen. Maar boven het rumoer uit van de voorplecht weerklonk een zilveren geluid, ijl en toch alles overstemmend, zoals een klokje dat in de bergweiden vernomen wordt. Allen zagen om en dat Ah Mao op de punt van de boegspriet stond, op één voet, het andere been opzwierend, als gereed ten dans. Hoe was zij daar gekomen? Een gewaad met rode sterren bezaaid omfladderde haar heupen als een deel van het uitspansel. Velen knielden nu neer en baden om bescherming, gelovend in haar macht over de golven, waarover zij was gegaan. Anderen schoten pijlen op haar af. Zij lachte om beiden. De jonk begon te zinken, zij sprong op de golven en danste daar even luchtig.

Toen smeekte Ko Tsin Ga haar het schip te redden. Ah Mao greep twee grote golven in hun manen, mende ze over het dek en veegde zo alle opvarenden in zee. Alleen Ko Tsin Ga en twee matrozen die bij hem aan het roer stonden, bleven gespaard.

Toen liet Ah Mao de beide golven los, die naar de einder stormden en alle andere achter zich aan trokken, zodat de zee als zijde en verbaasd om haar eigen stilte achterbleef, rondom een schip even verbaasd nog te drijven. Ah Mao zag Ko Tsin Ga geknield voor zich liggen.

'Uw schip was niet bestemd voor de heer van wouden en wateren om begerige bedriegers en koophandelaars over de zee te brengen. Mijn zusters woonden in de stammen die geveld werden om het schip te bouwen. Zij allen zingen. Hoor!'

Ko Tsin Ga legde zijn hoofd op het dek om te luisteren. En werkelijk, hij vernam stemmen gelijk aan die van Ah Mao, even ijl en zuiver, maar gedempt en droevig, terwijl zij uitdagend en overwinnend gezongen had.

'Sta op,' sprak zij weer.

Ko Tsin Ga liep zo voorzichtig alsof hij vreesde een harer te deren.

'Van u hindert het niet,' zei Ah Mao. 'Maar onder de plompe voeten van anderen hebben zij geleden. Zij zijn veel te weinig gestraft, de meesten zijn dadelijk verdronken, slechts weinigen zijn door haaien uiteengerukt.'

Ko Tsin Ga knielde weer voor Ah Mao, die, naar hij wel zag, geen demone maar een godin was, en vroeg wat hij doen moest.

'Nog een taak moeten wij volbrengen voordat ik mijn zusteren de vrijheid kan hergeven. In de zuidelijke zee is een vissersvloot in nood, omsingeld door de grote storm die wij verdreven hebben. Stuur het schip daarheen.'

De zeeman in Ko Tsin Ga begreep dadelijk dat zijn schip daar vergaan zou, want nauwelijks hielden de planken nog samen. Maar hij gehoorzaamde, wetend dat zijn schip hem niet meer behoorde. En niet ver van de monding van de Paarlrivier zag hij de vissers; vele duizenden zeilen waarvan er telkens uiteengerukt werden en verdwenen. Hij wilde het roer wenden, maar Ah Mao zag hem aan en hij stuurde gehoorzaam op het verderf aan. Door windstille wateren vloog het schip, tot het tegen een onzichtbare wal stiet; de planken vlogen door de lucht als veren, dwarrelden boven de zinkende schepen en vielen na de storm verslagen. Ah Mao had de kooplieden omgebracht, haar zusters bevrijd, de vissers gered. Ko Tsin Ga lag als een drenkeling in zee, maar spoelde aan wal tegen een schiereiland dat dor en kaal in zee uitstak. Maar landinwaarts ingaand, vond hij binnen een heuvelring een welig pijnwoud, een kleine tempel en op een rotspunt een zilveren schoentje. Het scheen hem dat Ah Mao's slank lijfje daarboven in de lucht zweefde. Als de wind door de pijnen toog, hoorde hij het koor der zusteren. De vissers kwamen offeren na hun redding, in de tempel die daar tevoren niet bestond. Ko Tsin Ga werd vanzelfsprekend priester en aanvaardde de offers.

In de tiende maand werd een grote storm voorspeld, de vissers offerden al hun have en Ko Tsin Ga had niet de kracht te weigeren. De storm kwam toch, de meeste vissers bleven gespaard, maar de tempel werd verwoest. Ko Tsin Ga verdronk en de schatten die hij had verzameld dreven weg. Ook het pijnbos was verdwenen, geen wortel stak meer uit de grond, alleen bleef de rotspunt de afdruk van een schoentje vertonen, maar dieper, als in toorn in steen gestampt.


Bron: J. Slauerhoff, Verzameld proza. Deel 1. Nijgh & van Ditmar, 's Gravenhage, tweede druk, 1983
Ingezonden door IJme Woensdrecht
Project Laurens Jz. Coster