J. Slauerhoff

De doodsstrijd van de dwaze oude, in het schrijven van verliefde

Lo T'oen, bekend door zijn geschiedenis der derde dynastie, heeft ook vele gedichten geschreven en een liefdesgeschiedenis. De gedichten zijn alle bij de grote boekenverbranding, die op last van keizer Yuanti, de laatste der Liangs, geschiedde, verloren gegaan.

Van de liefdesgeschiedenis is een manuscript in de grote kloosterbibliotheek te Kalgan. Maar het is onleesbaar, de bladen zijn omgekruld en verschroeid aan de randen en de inkt is vervloeid en uitgewist, alsof het handschrift tegelijk verbrand is en in het water heeft gelegen.

Ook is het half middendoor gescheurd.

Lo T'oen werkte altijd in de voornacht; hij was overdag, om voor zijn levensonderhoud te zorgen, geldwisselaar. 's Avonds waste hij zijn door het kopergeld bezoedelde handen en begon te schrijven.

Toen hij na twintig jaar zijn geschiedwerk had voltooid en enige taëls had ontvangen, geloofde hij nu zeer te zullen genieten van zijn avond- en nachtrust; hij was oud en versleten geraakt en meende genoeg geld over te hebben om elke avond voor het naar bed gaan twee bekers wijn te kunnen drinken.

Maar hij sliep slecht en was 's morgens veel afgematter dan vroeger als hij de halve nacht aan zijn werk wijdde. Daarom zette hij zich op een avond weer aan het tafeltje bij het raam, doopte zijn stift in de inkt en begon karakters neer te penselen.

En als vanzelve begon hij de lotgevallen te beschrijven van een minnend paar aan de overkant van de grote stroom.

Eerst was alles licht en blij, hij mocht beleven hoe zij samen zachte en donkere bospaden bewandelden, bloemen plukten bij het bloemenfeest, vuurwerk afstaken met nieuwjaar, ook hoe zij 's nachts elkaar in het geheim ontmoetten.

Zo wilde hij wel zijn verdere levensavond doorbrengen, zich verheugend in genietingen, die hij zelf niet had genoten. Maar zonder dat hij het wilde, werd zijn verhaal nu en dan toch droevig, in de wijn hunner vreugde mengde zich de alsem der smarten en teleurstellingen, in de zuiverheid van hun liefde de valsheid der familieverhoudingen.

Lo T'oen spande zich in, alles weer in de paden der ware vreugde te leiden. Hij dronk geen wijn en kocht de edelste inkt en het beste papier. Maar niets hielp. Toen dronk hij maar wijn en sliep een paar maal verheugd in, menend gunstige wending aan hun lotgevallen te hebben gegeven.

Maar als hij het geschrevene de volgende dag overlas, zag hij dat er toch weer door een ogenschijnlijk verheugende gebeurtenis de kiem was gelegd voor verdere noodlottige verwikkelingen. Hij kon zich dan niet voorstellen dat hij het zelf geschreven had; hij meende het zo goed met het jonge paar. Zou iemand niet gedurende de nacht het manuscript stelen en telkens de tekst een klein beetje wijzigen, terwijl hij sliep?

Hij werd somberder weer, legde zijn manuscript onder zijn hoofdkussen, maakte een kopie die hij verborg achter de dubbele bamboewand en vergeleek 's morgens: neen, het verschilde geen tittel en toch werd het verhaal steeds droeviger, zodat de minnenden al over zelfmoord dachten. Hij waarschuwde ze in treffende parabels, maar het verlangen naar de verlossende dood werd erger. Hij schilderde hun de ontzetting van het bestaan der schimmen van wie moedwillig hun leven verkorten; steeds meer verwijlden hun gedachten bij de dood, zij spraken over de verschillende modi: goudblad, vergif, zijden snoer. Vooral het meisje, dat door haar moeder en broers werd gekweld, dacht er steeds aan; eens kochten zij een zijden snoer, maar lo T'oen, wiens hoofd al neeg naar de peluw, liet in zijn laatste, met bevende hand neergeschreven regel het snoer voor de nacht nog stelen door een dienstbode, die het ook nodig had.

Toen kon hij niet verder, de laatste bron der vreugde was uitgeput; Lo T'oen liet beiden in een diepe slaap vallen door een acute ziekte, en zwierf zelf 's nachts rond, vrezend dat hij anders in zijn slaap zou opstaan en hun zelfmoord zou doen plaatshebben.

Op een avond kon hij niet uitgaan; zijn rechterbeen smartte hem al lang, hij leed aan de kwaal van de ouderdom, plotselinge bloedeloosheid. Ook was het weer somber, de wind woedde, de regen viel, de stroom repte zich voort en stuwde grote golven op. Het huis dat vlak aan de oever stond, schudde. Lo T'oen liep in zijn gesloten kamer rond, maar bleef telkens stilstaan bij de schrijftafel aan het raam.

Plotseling zette hij zich, besloten het paar te laten ontvluchten naar het land achter de westelijke bergen en daar een nieuw vredig leven te doen beginnen. Maar hij schreef: '... in de stormige nacht werden zij beiden uit hun huis gedreven en ontmoetten elkaar aan de oever van de onstuimige rivier. De wind verwoei hun kussen; het daveren van het water overstemde hun woorden. De stroom spoelde het oeverzand weg; zonder dat zij van hun plaats bewogen, kwam toch de rand van het kolkende water dichterbij....'

Een felle rukwind brak het raam open en hij zag ze staan aan de overkant, daar, achter de stroom; voortdurend gingen bliksemschichten heen en weer tussen hen en hem.

En nog bewoog zijn hand zich. Hij wilde opstaan, hen toeroepen, maar zijn hand werd op het papier gedwongen. Hij greep het manuscript en wilde het werpen in het hoogvlammend vuur; dit doofde uit alsof hij er bakken water in had uitgestort, en het manuscript was op dezelfde plaats op tafel teruggekeerd. En nu voelde hij het: een twaalfarmige demon had hem bij de nek, dwong zijn ledematen tot zitten en zijn rechterhand tot schrijven. De overige vangarmen waren om zijn lendenen en hersenen geslingerd om er de éne zin uit te persen: 'en toen verdronken zij zich!'

Maar zijn linkerhand was nog vrij, en had hij al zijn tanden niet, al was hij tachtig jaar?

Hij greep het manuscript met de niet schrijvende hand, beet in de rand en trok...

De golf die aan de overkant het wanhopige paar bedreigde, sloeg om naar deze zijde, drong het huisje van Lo T'oen binnen en vulde de kamer, schuimend en wentelend. Toen hij zich terugtrok, lag de oude man dood neer onder zijn tafel en het manuscript in een hoek gespoeld...

De gelieven aan de overkant zagen op het laatst van hun misdadig voornemen af; op de rand van de waanzin der zelfvernietiging voelde de vrouw dat zij een kind droeg, de jongeman dat een edele geest zijn leven voor hun heil wilde geven.

Zij trokken weg naar het land achter de westelijke heuvelen; de jongeman bekleedde later een hoog ambt; zij waren gelukkig met hun nakomelingen.