Hendrik Laurenszoon Spiegel
Numa
ofte Amptsweygheringe
Tweede Poos
[Eerste Poos]
2de poos, 1ste uytcomen
- [Samenvatting]
Proculus
- Wat gevaer, Volesus, hebben wij lijcwel
uytgestaen?
So haest Romulus wech was, wast
aen en aen
D'een swaerhayt op dander; eerst t volc tegen den Raet,
Dat waende dat dese schuldich waeren aen de misdaet van Romulus doott.
Doe nu 't gerucht quam dat hij was vergoodt,
Verdoofde dit, en doe begon onse twist te groyen;
Elck wilde hem de heerschappy bemoyen.
- Volesus
- Die twist had ons heel onse staet doen verliesen,
Hadden wy niet verenicht om een gemeen
heer te kiesen,
Hoe wel datter doe noch meer gedeelthayts
quam,
Want elck volck wilde gekoren hebben uyt sijn stam:
De Romers een Romer, de Sabiners een Sabine goetront.
- Proculus
- Ewich heb gij danc, die daer een middel vont,
Ja sulcken middel, die een ewich voorbeelt sal strecken;
In alle heerschappij, tsij onder wat volck, in wat plecken,
Wert om wel te stieren een overhooft
nut gevonden.
- Volesus
- Mits dat hij aen t' slants nutte
wetten zij verbonden.
- Proculus
- Also, tis buyten tegenspraeck een vaster en beter voet,
Dat men de beste man kiest, als datmen moet
D'erfgenamen tot een heer kiesen, hij sij wijs off vroet.
- Volesus
- Als de kuer vredich en recht toe gaet, anders ist onspoet.
- Proculus
- En dit ist geen in onse kuer best was te prijsen:
Dat de kiesers waeren genootsaect na enen wijsen
Te soecken, sout hun en de haere vromen.
t' Was voorsichtich beleed' dat de Roemers hebben aengenomen
Liever selff uyt haer partij te kiesen, als dat sy de kuere
De Sabiners souden geven yemant te kiesen van de huere.
Dit, seg ick, is lofflijck, dat de kuer niet heel was vry,
En datse niemant mosten kiesen van haer party.
Want doemen haer de kuer op die voorwaerden gan,
Warense niet genootsaeckt te kiesen de beste man?
- Volesus
- Jase, voorwaer. Men vermoet hem vroom en wijs te wesen.
- Proculus
- Dat sijn rechte vorstelijcke duechden; sijn wij dan niet geluckich in
desen?
- Volesus
- Is hij niet geluckich, dat hij so eendrachtich
Opgeworpen, gecoren,
en gemaeckt werd machtich,
Om sulck volck, als hieromtrent, al te meestern en berechten,
Als enich hooft en heer te rechten?
Ick meen wel jae, nae mijn vertrouwen.
- Proculus
- Wy sullent sien als wy hem de bootschap voorhouwen.
Daer toe mogen wy ons spoeden.
- Volesus
- Als ghy wilt.
- Proculus
- Godt schickten al ten goeden.
2e poos, 2de uytcomen
[Samenvatting]
- Numa
- Nevens 't soet redeneren bij vroed geselschap heb ick t' lijff wel gevoet.
So ist nu tijt t'eerkauwen t'voedsel vant gemoet;
Dats, van waerheyt en goethayt des siels behaegen.
Heb ick winst, of isser nieu oorsaeck van waerhayts kunds bejagen,
Of isser iet goets te doen, of voor te nemen, dat mij beter mocht maken?
Dat dien ick nu over
te leggen voor alle saecken,
En dan, met een goet opset, de huyssorch nemen ter hant.
Wat verbeelt my dees ampt aenbieding? Schrict al iet mijn verstant?
Nu heb ick warckelijck in mijn sielgront na te spueren,
Oft mij ock sal ontroeren, soement mij lay te veuren,
Ofte niet; ick heb in alle voorval immers tot noch toe getracht
- Mijn gemoets besluyt heel te houwen in mijn macht,
- Dattet niet verandert nae der dingen veranderlijck beloop;
- En dit compt om dat ick mijn verkiesing
aen niet tijtlijcx cnoop.
Dat ment tijtlijcke lieft, valtet ding niet off gaetet te niet.
Mijn verkiesing sterff me en ick blijff sonder verdriet.
Dit heb ick immers vaeck in grote dingen versocht.
Heb ick niet mijn lieve Egaes sonder verdriet overgebrocht?
Hartlijck had ickse lief, haer leven, o ja, ick mient,
Maer verstond' ick niet altoos datse mijn maer was gelient?
Hiel dit niet mijn besluyts evenaer altijt gelijckewichtich?
Daer door quamt, dat mij niet, als onversichtich,
Haer schielijck verlies brocht in droefhayts
noott.
Ick weet dat my niet ontroerde Pythagoras doot,
Hoe lief hy my was; maer hoe mocht ick in sijn sterven vaten verdriet?
Het geen dat ick in hem liefde en verloor ick niet.
De sterffelijcke sterff, die had ick niet bemint;
De duecht die in hem was sterff niet, die had ick besint.
Het onrecht verkiesen alleen doet ons verliesen
rust;
Men vest aen verganckelijcke dingen ewyge lust.
Het ding vergaet, de lieft blijft, die quelt de menschen.
Nu wel, isser in dit anpt opleggen iet te mijen of te wenschen
Uyt sijn eijgen aert, dat staet my te vlieden of te verkiesen?
Soude de amptbediening mijn sielrust doen verliesen?
Is de lustige sielrust
niet als iet ewichs te minnen?
Ja, maer beletse d'amptsplicht? Numa, scherpt u sinnen.
Moet niet de nodige rijcbecommering u vaeck doen sorgen?
Is hoochayt niet gevaerlijck, en onseker de morgen?
Is becommering en gevaerlijckhayt niet aller borsten
gequel?
Jae, maer is het ampt, of sij selff oorsaeck van die hel?
Is niet gevaerlijck en onseecker al ons bedrijff,
Al ons besitting, gesonthayt, ja ons eygen lijff?
Wie is een uyr seecker? En heeft niet alle huyssorchs beslommering,
Hoe cleen off eensaem datse sy, nodige becommering?
Maar geen hertleed, onvree, uyt de dingen spruyt:
Dat mer thert aen hecht, daer compt het hertleed uyt.
Ick weet dat het rijck
mij niet goets kan geven,
Maer t'can mij ock niet ongevallich
doen leven,
Ten sy ick wil; t' mach mijn sterckmoedichayt oeffnen in gedult.
Maer dat die ongeoeffent sijn, is dat niet mijn schult?
Behoor ickse niet staech te oeffenen? Ja, voorwaer.
Watser meer? t'Rijck brenctet leven in gevaer,
En dat hoor ick niet onnootsaeckelijck te waegen;
En of mens ampts (nae 't besoecken) soude willen sijn ontslagen,
Dats ondoenlijck alsment eens heeft aengevaet,
Want nevens dat ghij op u gehaelt hebt der
boser haet,
Die in macht, en ghij daer uyt, elck sich te wreecken tracht,
So sydy daerover by u naesaet altijt veracht.
Dits een! So sijn oock s'rijxs voorvallende saecken veelderhant,
Datse geen tijt laten tot levenschowing u verstant.
Dat waer u pijn, want so wy te besorgen
hebben siel en lijff,
So ist ontwyfelijck wenschelijckst, dat elck besorging bedrijff
Elck ander opt weynichste hinderlijck is,
So dat d'een off dander een oversorch kinderlijck is.
Mijn toeleg is in alles middelmaet te houwen,
Buert wijse verdelende huyssorch en werlt beschouwen.
T' een hebben wij mette dieren, t' ander met god gemeen,
Nae ons lyff en siel mette stemmen over een.
Begeeft sich iemant tot huyssorch met sulcke nechtichayt,
Dat hy sijn siel ongebetert moet laeten, seker dats knechtichayt.
Oock mede ist dwaeshayt, so in t'verstandts oeffening te woeden,
Dat men versuymt nodrufts bejach om t' lijff
te voeden.
En meest, soot meeste valt, als de weetgierichayt
Nodich noch nut is, maer ijl glorys vierichayt.
Dees veracht ick; heb oock alleen nae goedwerding gepoocht.
Oock niet versuymel op lijffs gesonthayt en behoef geoocht.
2de poos, 3de uytcomen
[Samenvatting]
- Volesus
- Proculus, mij dunct, hij ons hier comt ghemoeten.
- Proculus
- Dats so, laten ons groeten.
- Volesus
- Wij groeten u, hoochwaerdige Numa.
Wij, die door last van den Raet en volck zijn gekomen
Om u geluck te wenschen en te vereren mette croon van Romen.
- Numa
- Gheluck nae wens heeft mij de groote god
tot noch toe getoont,
In nodruft versien sijnde, oock van lijf
en siel gesont;
Eer heb ick in gene dingen gesocht off nae getracht,
Doch so veel alse in gevolch des duechs is, ick hebse noyt veracht.
Maer soud' ick iet doen, al waert duecht, om dat ick glory begeer?
Dat waer sothayt; in sulcker wijs prijs ick gemack voor eer.
Die bedanck ick t'roomse volck en Raet, ock u luy vriendlijck;
Gunt een waerdiger die eer, sy is my, noch ick u, voor waer niet
dienstlijck.
- Volesus
- Soudy een Coninckrijck weygeren, en een sulcke heerlijckhayt?
- Numa
- t' Is een Coninck die voocht is over zijn begeerlyckhayt.
- Volesus
- Te heerschen is in alle geval beter als knechtichayt.
- Numa
- Hij heerscht over alles, die de gerechtichayt
En waere goethayt boven alle dingen can wenschen.
- Volesus
- Sich selven, sijn vrinden,,
jae alle menschen
Can hij goet doen, die in hoochayt verheven en in voorspoet is.
- Numa
- Niemant kan iemant goet doen die selff niet goet is.
- Volesus
- Sou oock iemant so dwaes sijn, sie een Coninckrijck sou verachten?
- Numa
- Hoe mach een wijs mens, die wel is, nae verandering trachten?
- Volesus
- Wie, onderdaen sijnde, is so wel als in conincklijcke staet?
- Numa
- Die weet dat niet tytlycx, maar alleen goedhayt haylgierich versaet.
- Volesus
- Ist niet iet groots, sulcke heerlyckhayt en macht?
- Numa
- Noch grooter ist datmen al tijtlijck cleyn acht.
Dus sijt echter bedanct, so ick u sayde te voren.
- Proculus
- Dits de meening
niet, heer; ghij sijt gekoren
Nae lange tweedracht van Roomse volck en Raet
Eenstemmich; dus bidden wij u, dat ghij ons niet en laet
Door u weygering weercomen in twist en verstoornis.
Denct, heer, dat niemant sich selff geboren is.
- Numa
- Dats recht, vrienden, ick leef ock alleen my selff niet geheel.
Elck is van de hele mensch een deel;
Ander litmaten hebben my geteelt, gevoestert, en onderwesen.
Soud' ick mijn naesten dan hulp weygeren, ick waer mispresen.
- Proculus
- t' Believe u dan hulpgierich des Rooms volcx besorging'
te nemen aen.
- Numa
- Niet soo lichtvaerdich, daer willen wij ons met ernst op beraen,
En overleggen oft ampt ons dient, en wij haer, ick meen wel neen.
- Proculus
- Waerom heer? Isser gevaer?
- Numa
- Ghij luy sytt woelich, in twisten en partischap gevoet.
Ick ben leechbaar en gesaetich
van gemoet.
Ghy luy soect uyterlycke oorlogen, vechten en strijden;
Ick soeck in vreedsaemheyt inwendich te verblijden.
Ghij luy soect dwang, macht over al u ghebueren;
Ick tracht alleen mijn eigen sielscrachten wel te bestueren.
Ghy luy poocht opt hoochst nae rijcdoom en macht;
Ick tracht geen ding meer dan datmen al t'verganchelijck clayn acht.
En om dat onse toeleg en seden dus seer strijdich sijn,
So sou mijn bestiering bij u luyden ontijdich
sijn.
Doch de saeck is te wichtich; salse wijder overleggen,
En dan u luy welbedachte en tyelijcke antwoort seggen.
- Proculus
- Dit sullen wy verwachten, biddende godt dat hij wil verlienen
- U sulck besluyt, als ons volck en stat best sal dienen.
2de poos, 4de uytcomen
[Samenvatting]
- Proculus
- Wat dunct u, Volesus, had ghy dit wel vermoet?
- Volesus
- Neen ick, trouwen, nochtans sijn sijn redenen dapper en goet.
Maer wie docht dat sulcken wijs man sulcken hoochayt sou weygeren,
Daermen doch cloeke luy om cloeckst nae siet staygeren?
- Proculus
- Hij oocht op der dingen rechte waerdij en acht sijns gemoet gerusthayt
Veel hoger als de hoochayt, rijckdom, eer, ofte alle wellustichayt.
En als wel naebedacht wert, so gaen sijn redenen vast;
Wats oock hoochayt, alsment grondich insiet, anders als een last?
Ock het trachten nae werltse eer, glory en befaemtheyt
Een hant-vol sonnen, wintvang, der sotten-loff, bij wijsen beschaemthayt.
Wat kan men van de rijcdoomen meer hebben als behoeft?
Blijct niet mede, dat alle gesochte wellust in eynde bedroeft?
Maer dit overgeslagen, wij mosten ons bootschap betrachten te degen,
En beste middel overleggen om hem te
bewegen.
- Volesus
- Wat raet, heer? Hoe salmen dat best bestueren?
- Proculus
- Maer, dat wij aenlopen vrienden en gebueren
En hunluy onse stats gestalt
en twist so vertolcken,
Dat syt raetsaem vinden voor alt Sabijnsche volcke
Hem dat te raden, te bidden, en aen te dringhen.
- Volesus
- Ghaen wy; dit dient gedaen voor alle dinghen.
2de poos, 5de uytcomen
[Samenvatting]
-
Jaanke
- Numaes sot ben ick; dese ram is sijn mee;
Die moet ick brengen te Cures in ste.
Nu, ram, gaet voort recht duer na mijn vermeeten,
Of ick sou t'avont geen pancoeken eeten.
Nu, schoorvoet niet, treet vrij toe.
Wel, gaet duer, laet sien! Hoe?
Wildij niet? Oft condij niet? Hoe ist?
Laet sien, gaet te degen, maect geen twist.
Sou mij t' pancoecken missen, 'twerde u buert!
Weest niet weersoordich,
dat ghij mij niet en verstuert,
Off ghij crijcht een ende stocx op u rebben.
Wildij niet, ghij moet lijckwel; ick sou
gaern pancoecken hebben.
Pancoecken, t' cost watetet wil, ghij sult voort, ick meen.
- Mieus
- Wel, Janus, waer heen, waer heen?
- Jaanke
- Maer, can ick dese Ram leyden van hier in stee,
So sal ick pancoecken eten, en hij wil niet mee.
Siet, dus settet sijn voeten t' schoor.
- Mieus
- Volcht ghij de Ram, laet hem gaen voor.
- Jaanke
- We. wat sou dat werden? Ick sorch
dat hij lopen sou
Niet daer ick wilde, maer daer hij selven wou.
Ick mochtet so verliesen.
- Mieus
- Bijntet aen een tou.
- Jaanke
- So heb ick gedaen, sietet hier om sijn hals, ick trect vast.
- Mieus
- Dits wat mals, bintet aen sijn poot.
- Jaanke
- Hou sout dan locken?
Begin ick aen de poot te haelen
als ick aen de hals heb getrocken,
Ick trock hem t'veurbeen wel uyt sijn lijff.
- Mieus
- Bijntet aen d'achterste poot.
- Jaanke
- Ke, wat sotter bedrijff!
Soud' ick dese Ram dan achterwaerts trecken?
Ghij en behoeft met mij niet te gecken.
- Mieus
- Ken doe seecker.
- Jaanke
- Sou hij dan aerselings
leeren gaen?
- Mieus
- Neen t'sal gaen daer ghij wilt.
- Jaanke
- Ick kant niet verstaen.
Sal ickt van achteren binden, en salt gaen daer ick wil?
Ghij cunt mette Ram wel omgaen, doet ghijt; ick sit stil;
Ick sal sien en leeren.
- Mieus
- Wel aensiet, dus en so.
- Jaanke
- Dat ghaet wel.
Ontbeyt, sal ick
dit oock cunnen doen, wat weet ick.
- Mieus
- Wel, wat segdij, Jaanke?
- Jaanke
- Janus heet ick.
- Mieus
- Jae, ja, Janus, so stel ick de ram nae u hant.
Dus boertich oeffent
onse heer sijn verstant.
Met dit sot werck wil hij ongetwijfelt leeren,
Datmen t volck genoechlijcker kan bestueren als beheeren;
Ja, elck mense wil beter geleyt sijn dan getrocken;
Wijs bestieren is lofflijck, streng heerschen sal selden wel locken.
Nu verlangt mij te weeten,
Hoe Jaanke vaert, of hij wint, en off ick me sal eeten.
[Derde Poos]