Hendrik Laurensz. Spiegel
Numa
Ofte Amptsweygheringhe
Zinspel
Pomponius, de vader van Numa, komt op en vertelt dat hij vannacht een voorspellende
droom heeft gehad. Hij vraagt zich af of hij waarde aan die droom moet hechten
en concludeert dat dit waarschijnlijk wel moet: hij heeft helder geslapen
en de avond te voren niet te zwaar gegeten. Hij is op zoek naar zijn zoon,
aan wie hij zijn droom wil vertellen. Poponius vertelt dat aan Numa altijd
een grote toekomst is voorspeld -- hij is bovendien getrowud geweest met
de nu overleden dochter van koning Tatius -- en dat de jongeman ook een
zeer goed karakter heeft. Hij trekt bijvoorbeeld altijd op met wijsgeren
en andere waarheidszoekers. Zo was de oude Pythagoras in zijn tijd Numa's
beste vriend.
Numa bespreekt met zijn wijsgerige vriend Martius of ze wel recht hebben
op een maaltijd. Hebben ze vandaag wel voldoende goede werken gedaan? Martius
heeft twee mensen die ruzie maakten uit elkaar gehaald. Hij is alleen bang
dat hij degene die kwaad deed te ernstig heeft berispt. Numa zelf heeft
nagedacht over het kwaad. Er zijn twee soorten haat: een natuurlijke haat
van het Kwaad, en een verderfelijk soort haat, gericht tegen slechte mensen.
Numa en Martius ontmoeten Pomponius. De laatste vertelt over zijn droom:
in een bos stonden vier bomen. Uit de hemel daalde en kroon neer op de jongste
en kleinste boom. Toen de kroon eenmaal op die boom lag begon hij een fel
licht te geven en alle bomen in het bos werden vruchtbaar en de wilde dieren
tam. Dan vertelt Martius dat deze droom op Numa moet slaan, omdat ook hij
een droom heeft gehad. Hij liep met Numa over een veld, toen er een arend
uit de hemel kwam met een kroon in zijn snavel. Numa weigerde deze kroon.
Vervolgens greep de vogel Numa beet, en Numa Martius en zo vlogen ze naar
Rome. Daar zegende Numa het volk. Vervolgens werd hij weer vastgegrepen
door de arend en meegesleept, Martius struikelend en ontredderd achterlatend,
met een kroon die hem al snel werd ontnomen. Over al deze dromen moet Pomponius
nog eens goed nadenken.
Jaanke, de nar van Numa, komt op. Hij heeft van zijn meester een wereldbol
gekregen. Als hij hem zo heeft neergelegd dat hij het meest naar zijn zin
is, krijgt hij een bord rijstebrij. Jaanke komt tot de conclusie dat de
snelste manier om aan die brij te komen dan is om te zeggen dat de wereld
goed ligt, zoals hij ligt. Mieus, Numa's knecht, komt Jaanke dan vertellen
dat hun meester koning is geworden. Jaanke is echter meer geïnteresseerd
in rijstebrij, en verdwijnt. Mieus blijft achter om de aanstaande veranderingen
te overpeinzen: zijn ze ten goede of ten kwade? Materieel wordt hij er weliswaar
beter van als hij knecht is van een koning -- maar heeft hij het nu ook
al niet goed genoeg? Ten slotte vertelt hij dat hij bang is dat zijn meester
hem zal vragen wat hij die dag heeft gedaan. Gelukkig zijn er drie bomen
omgewaaid; daarvan kan Mieus zeggen dat hij ze heeft omgehakt. Nu kan ook
de knecht thuis gaan eten.
De twee Romeinse staatsburgers Volesus en Proculus komen op en spreken over
politiek. Sinds koning Romulus' dood is het onrustig geweest, vooral tussen
de Romeinen en de Sabijnen. Volesus is daarbij op een zeer schrander idee
gekomen: hij heeft de Sabijnen als enigen stemrecht gegeven, maar daarbij
mochten ze alleen op een Romein stemmen. Zo hebben ze de verstandigste beslissing
genomen en voor Numa gekozen.
In een lange monoloog zet Numa zijn twijfels over het koningschap uiteen.
Hij heeft altijd het meest gehecht aan gelijkmoedigheid en die komt nu misschien
in gevaar. Als voorbeeld van die gelijkmoedigheid geeft hij dat hij geen
verdriet heeft gehad om de dood van zijn geliefde echtgenote: hij is er
namelijk altijd al vanuit gegaan dat ze hem alleen maar te leen gegeven
was. Ook om Pythagoras' dood heeft hij niet al te lang getreurd. Maar is
die gelijkmoedigheid nu werkelijk in tegenspraak met het aannemen van een
hoog ambt? En liggen de angst voor gevaar en dergelijke niet eerder in de
persoon dan in het ambt? Ook door kleinere verplichtingen en zorgen laten
sommige mensen zich van hun stuk brengen. Het belangrijkste is, om te proberen
een evenwicht te vinden tussen aandacht voor de alledaagse zorgen enerzijds
en het hebben van diepe gedachten aan de andere kant.
Volesus en Proculus komen Numa feliciteren met zijn uitverkiezing. Numa
zegt echter dat hij moet bedanken voor de eer. Hij zou er zichzelf noch
de staat een dienst mee bewijzen. Volesus en Proculus proberen hem over
te halen: hoe kan iemand zo'n prachtig ambt nu weigeren. Numa houdt echter
vol dat het veel eervoller is om niet te buigen voor een dergelijk groot
ambt en zijn integriteit te bewaren. Bovendien liggen zijn eigen mening
over macht en welstand te ver af van die van de meerderheid van het volk.
Dat zou wel eens gevaarlijk kunnen worden. De heren komen overeen dat Numa
er nog eens goed over na zal denken en dan zijn besluit zo snel mogelijk
zal laten weten.
Proculus en Volesus praten na over wat er zojuist gebeurd is. Ze zijn zeer
verbaasd dat zo'n wijs man een ambt kan weigeren waar veel anderen om zouden
willen vechten. Toch begrijpt Proculus Numa wel: rijkdom en macht zijn niet
noodzakelijk voor de wijze. De staat zou er desondanks mee gediend zijn
wanneer Numa het ambt wel aannam. De twee mannen besluiten met zoveel mogelijk
vrienden en familieleden van Numa te praten om hen te vragen te helpen de
wijze man te overreden.
Jaanke heeft een nieuwe opdracht gekregen van Numa. Hij moet nu een ram
naar de stad brengen. Als hij dat doet, krijgt hij pannekoeken. Het probleem
is dat de ram niet wil lopen waar Jaanke dat wil. Mieus probeert hem te
helpen met advies. De beste manier blijkt uiteindelijk te zijn om een touw
aan een achterpoot van de ram te strikken en om het zo bij te sturen waar
hij mis dreigt te gaan, in plaats van hem aan zijn nek vast te binden en
dan te trekken. Mieus trekt hieruit de wijze les die Numa ongetwijfeld heeft
willen uitdrukken: het is beter een volk te besturen dan te overheersen.
Pomponius en Martius overleggen. Hun beider dromen lijken uitgekomen en
nu proberen ze te bedenken wat de beste manier is om Numa over te halen.
Hij luistert alleen naar goede argumenten. De beste argumenten zijn, volgens
Pompilius, dat de goden het zo willen, en dat Numa op deze manier zoveel
mogelijk welzijn kan brengen aan zoveel mogelijk mensen. Nu moeten ze snel
Numa zien te vinden om hem deze argumenten voor te leggen.
Pomponius en Martius komen Numa tegen. Deze sputtert eerst nog wat tegen;
hij zal veel tegenstanders hebben en dat zal misschien een burgeroorlog
teweegbrengen. Daar schiet niemand wat mee op. Bovendien is het ook voor
hem persoonlijk gevaarlijk, want ook over zijn voorgangers Tatius en Romulus
wordt wel gezegd dat ze vermoord zijn. Uiteindelijk geeft hij toe niet ongevoelig
te zijn voor de argumenten van de anderen: dat hij veel mensen van nut kan
zijn en dat de goden het zo willen.
Volesus en Proculus voegen zich bij het gezelschap. Zij willen weten welke
beslissing Numa genomen heeft. Eerst twijfelt Numa nog wat: waarom zou iemand
die het goed heeft naar verandering streven? Dan noemt ook Proculus de twee
argumenten: het is in het belang van alle burgers dat Numa koning wordt,
en bovendien willen de goden het zo. Dan geeft Numa uiteindelijk toe en
neemt het amt van koning aan. Hij gaat iedereen voor in gebed.
[Coster-pagina]