Hendrik Laurensz. Spiegel

Numa

Ofte Amptsweygheringhe

Zinspel

Samenvatting door Marc van Oostendorp




Eerste Poos

Eerste Uytcomen


Pomponius, de vader van Numa, komt op en vertelt dat hij vannacht een voorspellende droom heeft gehad. Hij vraagt zich af of hij waarde aan die droom moet hechten en concludeert dat dit waarschijnlijk wel moet: hij heeft helder geslapen en de avond te voren niet te zwaar gegeten. Hij is op zoek naar zijn zoon, aan wie hij zijn droom wil vertellen. Poponius vertelt dat aan Numa altijd een grote toekomst is voorspeld -- hij is bovendien getrowud geweest met de nu overleden dochter van koning Tatius -- en dat de jongeman ook een zeer goed karakter heeft. Hij trekt bijvoorbeeld altijd op met wijsgeren en andere waarheidszoekers. Zo was de oude Pythagoras in zijn tijd Numa's beste vriend.

Tweede Uytcomen


Numa bespreekt met zijn wijsgerige vriend Martius of ze wel recht hebben op een maaltijd. Hebben ze vandaag wel voldoende goede werken gedaan? Martius heeft twee mensen die ruzie maakten uit elkaar gehaald. Hij is alleen bang dat hij degene die kwaad deed te ernstig heeft berispt. Numa zelf heeft nagedacht over het kwaad. Er zijn twee soorten haat: een natuurlijke haat van het Kwaad, en een verderfelijk soort haat, gericht tegen slechte mensen.

Derde Uytcomen


Numa en Martius ontmoeten Pomponius. De laatste vertelt over zijn droom:
in een bos stonden vier bomen. Uit de hemel daalde en kroon neer op de jongste en kleinste boom. Toen de kroon eenmaal op die boom lag begon hij een fel licht te geven en alle bomen in het bos werden vruchtbaar en de wilde dieren tam. Dan vertelt Martius dat deze droom op Numa moet slaan, omdat ook hij een droom heeft gehad. Hij liep met Numa over een veld, toen er een arend uit de hemel kwam met een kroon in zijn snavel. Numa weigerde deze kroon. Vervolgens greep de vogel Numa beet, en Numa Martius en zo vlogen ze naar Rome. Daar zegende Numa het volk. Vervolgens werd hij weer vastgegrepen door de arend en meegesleept, Martius struikelend en ontredderd achterlatend, met een kroon die hem al snel werd ontnomen. Over al deze dromen moet Pomponius nog eens goed nadenken.

Eerste Boertery


Jaanke, de nar van Numa, komt op. Hij heeft van zijn meester een wereldbol gekregen. Als hij hem zo heeft neergelegd dat hij het meest naar zijn zin is, krijgt hij een bord rijstebrij. Jaanke komt tot de conclusie dat de snelste manier om aan die brij te komen dan is om te zeggen dat de wereld goed ligt, zoals hij ligt. Mieus, Numa's knecht, komt Jaanke dan vertellen dat hun meester koning is geworden. Jaanke is echter meer geïnteresseerd in rijstebrij, en verdwijnt. Mieus blijft achter om de aanstaande veranderingen te overpeinzen: zijn ze ten goede of ten kwade? Materieel wordt hij er weliswaar beter van als hij knecht is van een koning -- maar heeft hij het nu ook al niet goed genoeg? Ten slotte vertelt hij dat hij bang is dat zijn meester hem zal vragen wat hij die dag heeft gedaan. Gelukkig zijn er drie bomen omgewaaid; daarvan kan Mieus zeggen dat hij ze heeft omgehakt. Nu kan ook de knecht thuis gaan eten.

Tweede Poos

Eerste Uytcomen


De twee Romeinse staatsburgers Volesus en Proculus komen op en spreken over politiek. Sinds koning Romulus' dood is het onrustig geweest, vooral tussen de Romeinen en de Sabijnen. Volesus is daarbij op een zeer schrander idee gekomen: hij heeft de Sabijnen als enigen stemrecht gegeven, maar daarbij mochten ze alleen op een Romein stemmen. Zo hebben ze de verstandigste beslissing genomen en voor Numa gekozen.

Tweede Uytcomen


In een lange monoloog zet Numa zijn twijfels over het koningschap uiteen. Hij heeft altijd het meest gehecht aan gelijkmoedigheid en die komt nu misschien in gevaar. Als voorbeeld van die gelijkmoedigheid geeft hij dat hij geen verdriet heeft gehad om de dood van zijn geliefde echtgenote: hij is er namelijk altijd al vanuit gegaan dat ze hem alleen maar te leen gegeven was. Ook om Pythagoras' dood heeft hij niet al te lang getreurd. Maar is die gelijkmoedigheid nu werkelijk in tegenspraak met het aannemen van een hoog ambt? En liggen de angst voor gevaar en dergelijke niet eerder in de persoon dan in het ambt? Ook door kleinere verplichtingen en zorgen laten sommige mensen zich van hun stuk brengen. Het belangrijkste is, om te proberen een evenwicht te vinden tussen aandacht voor de alledaagse zorgen enerzijds en het hebben van diepe gedachten aan de andere kant.

Derde Uytcomen


Volesus en Proculus komen Numa feliciteren met zijn uitverkiezing. Numa zegt echter dat hij moet bedanken voor de eer. Hij zou er zichzelf noch de staat een dienst mee bewijzen. Volesus en Proculus proberen hem over te halen: hoe kan iemand zo'n prachtig ambt nu weigeren. Numa houdt echter vol dat het veel eervoller is om niet te buigen voor een dergelijk groot ambt en zijn integriteit te bewaren. Bovendien liggen zijn eigen mening over macht en welstand te ver af van die van de meerderheid van het volk. Dat zou wel eens gevaarlijk kunnen worden. De heren komen overeen dat Numa er nog eens goed over na zal denken en dan zijn besluit zo snel mogelijk zal laten weten.

Vierde Uytcomen

Proculus en Volesus praten na over wat er zojuist gebeurd is. Ze zijn zeer verbaasd dat zo'n wijs man een ambt kan weigeren waar veel anderen om zouden willen vechten. Toch begrijpt Proculus Numa wel: rijkdom en macht zijn niet noodzakelijk voor de wijze. De staat zou er desondanks mee gediend zijn wanneer Numa het ambt wel aannam. De twee mannen besluiten met zoveel mogelijk vrienden en familieleden van Numa te praten om hen te vragen te helpen de wijze man te overreden.

Vyfde Uytcomen


Jaanke heeft een nieuwe opdracht gekregen van Numa. Hij moet nu een ram naar de stad brengen. Als hij dat doet, krijgt hij pannekoeken. Het probleem is dat de ram niet wil lopen waar Jaanke dat wil. Mieus probeert hem te helpen met advies. De beste manier blijkt uiteindelijk te zijn om een touw aan een achterpoot van de ram te strikken en om het zo bij te sturen waar hij mis dreigt te gaan, in plaats van hem aan zijn nek vast te binden en dan te trekken. Mieus trekt hieruit de wijze les die Numa ongetwijfeld heeft willen uitdrukken: het is beter een volk te besturen dan te overheersen.

Derde Poos

Eerste Uytcomen


Pomponius en Martius overleggen. Hun beider dromen lijken uitgekomen en nu proberen ze te bedenken wat de beste manier is om Numa over te halen. Hij luistert alleen naar goede argumenten. De beste argumenten zijn, volgens Pompilius, dat de goden het zo willen, en dat Numa op deze manier zoveel mogelijk welzijn kan brengen aan zoveel mogelijk mensen. Nu moeten ze snel Numa zien te vinden om hem deze argumenten voor te leggen.

Tweede Uytcompst


Pomponius en Martius komen Numa tegen. Deze sputtert eerst nog wat tegen; hij zal veel tegenstanders hebben en dat zal misschien een burgeroorlog teweegbrengen. Daar schiet niemand wat mee op. Bovendien is het ook voor hem persoonlijk gevaarlijk, want ook over zijn voorgangers Tatius en Romulus wordt wel gezegd dat ze vermoord zijn. Uiteindelijk geeft hij toe niet ongevoelig te zijn voor de argumenten van de anderen: dat hij veel mensen van nut kan zijn en dat de goden het zo willen.

Derde Uytcomen

Volesus en Proculus voegen zich bij het gezelschap. Zij willen weten welke beslissing Numa genomen heeft. Eerst twijfelt Numa nog wat: waarom zou iemand die het goed heeft naar verandering streven? Dan noemt ook Proculus de twee argumenten: het is in het belang van alle burgers dat Numa koning wordt, en bovendien willen de goden het zo. Dan geeft Numa uiteindelijk toe en neemt het amt van koning aan. Hij gaat iedereen voor in gebed.

[Coster-pagina]