A.C.W. Staring

Aan den Winter

Op den eersten sneeuwdag, in december 1827.

      Ha, oude Kennis! weer in 't land?
Ontzie een Koudkleum, zoo 't kan wezen:
      Mijn levenskerfstof geeft u dra
Zes kruisen met een krap te lezen.

      En, deed mijn jeugd, min kil van bloed,
De citersnaar uw roem gewagen;
      Gij hebt het loon thans in uw hand -
Betaal het aan mijne oude dagen:


      Een Feest vergoe, bij 't slot van 't jaar,
Wat ons zijn aanvang liet verduren:
      Moog', door uw hulp, de Waterloo
Het eind zien van heure avonturen.

      Schenk - schenk ons haast dien ZOON terug -
Den ZEEMAN, daar ons hart voor saagde;
      Toen - menig zwarten stond! - de dood
Zoo menig dierbaar hoofd belaagde!

      Toen 't groeijend ijs, het dreigend Rif,
En de onbetrouwbre luim der winden
      De schaar, vermoeid van 't werk des dags,
In banger nacht geen rust liet vinden!

      't Zuidwesten vulle, op uw bestel,
Het zeildoek aan de Britsche masten,
      Geplant in 't Neerlandsch zeekasteel,
Dat Sonda's golven sinds omplasten.

      Dat ras de loots, voor Hollands wal
Den boeg, die huiswaarts ziet, bejegen'!
      Dan toeft u hier eene eerekrans,
Als onzen Zwervling de ouderzegen.

Aantekening