A.C.W. Staring

Ada en Rijnoud

'Die geboden dienst versmaadt,
Wenscht er wel om, als 't is te laat.'
P.C. HOOFT.
Granida.
Eens leefde er, in den ouden tijd,
    Een Meisje, schoon en jong;
Wier zoet gelaat het teeder hart
    Des eelsten Ridders vong.

Reeds had haar Rijnoud, even trouw,
    Drie jaren lang bemind;
Doch Ada sloeg, drie jaren lang,
    Zijn zuchten in de wind.

Hij bleef haar, als haar schaduw, bij;
    Niets trof de wreede Maagd!
Zij zag, met spot, den frisschen bloei
    Zijn levens weggeknaagd.

Dat leven, eerst door vrome daan
    Beroemd in 't gansche land,
Sloop ledig weg, en schild en kling
    Hong roestend aan den wand.

Het trof haar niet! en Rijnoud vlood,
    In 't eind vertwijflend, heen;
En doolde in 't veld, op Gods genaa;
    En niemand wist, waarheen.

Als Ada zulks ter ooren kwam,
    Zoo deed haar 't harte zeer;
Zij dacht zijn deugd en trouw terug,
    En wenschte Rijnoud weer.

Zij zingt, zij jokt wel, als voortijds;
    Het veinzend aanzigt lacht;
Doch rustloos woelt haar kranke geest,
    En maalt op één gedacht.

Haar Balling volgt haar overal;
    Zij hoort zijn tred, zijn stem;
Met zoeter toon lokt ieder dag;
    Lokt ieder stond tot hem!

"Niet langer, neen!" De fierheid zweicht;
    De liefde wint den strijd!
Zij zweert, hem, dien zij trotsch verstiet,
    Te zoeken wijd en zijd.

Fluks hult ze, in ijzren wapentuig,
    Haar boezem van albast,
En gespt een wigtig oorlogszwaard,
    Om 't ranke middel vast.

Maar floers verbergt den gulden riem,
    En wappert van haar lans;
Haar helm is zonder vederbos;
    Haar harnas zonder glans.

En op het doffe ridderschild
    Schrijft zij, met treurig zwart:
"Of vond ik, wat ik dolend zoek;
    Of stierf ik aan mijn smart."

Zoo trok de Maagd, berg op, berg af;
    De wijde waereld in.
Hoe hard het staal haar drukken mogt,
    Onwrikbaar stond haar zin.

Des middags trof haar t' zonnevuur;
    Des nachts de kille douw.
Zij achtte douw noch zonnevuur;
    Zij voelde slechts haar rouw.

Nu had zij, drie paar maanden lang,
    Op vruchteloozen togt,
Zijn spoor bevraagd en nagerend,
    Gemist en weergezocht;

Wanneer haar ros, om d'avendtijd,
    Een mastwoud binnentrad;
Daar wolf en beer, de plaag der streek,
    Zijn nare woonplaats had.

De Schoone, mijmrend voortgesneld,
    Bemerkt haar dwalen niet,
Tot reeds de zon, ter kim gedaald,
    Een bleeker flikkring schiet -

Het roofgediert', door 't bosch verspreidt,
    Reeds hongrig huilt naar buit;
En 't pad haar, over zwellend mos,
    Terug wijst naar vooruit.

Doch eer de leste schemering
    In vollen nacht verdwijnt,
Ontwaart ze een vromen kluizenaar,
    Die bij een rots verschijnt.

"O vrome Kluiznaar, hoor mij toch!
    Hoor mij meedogend aan!
En laat een armen zwerveling
    Geen menschenhulp ontgaan!"

Zoo smeekt ze. Een stem, die hulp belooft,
    Klinkt vrolijk haar te moet.
Hij komt; hij leidt haar schreden voort,
    Met jeugdig wakkren spoed.

Zij volgt hem, waar ze in 't klipgewelf
    De haardstee glinstren ziet;
Terwijl een voordak 't moede ros
    Beschut en leger biedt.

Een korfjen, aan den hazelaar,
    Vol wilde vrucht gegaard;
Een moesgerigt, uit houten kop,
    Is 't welkom van den waard.

De honig staat er feestlijk bij,
    En zijn begraven schat,
De wijnkruik, die, tot dezen stond,
    Geen gast ontzegeld had.

Voor 't rijsvuur, dat hun spaarzaam licht,
    Zet hij den kleinen disch;
En vangt nu aan: "Hoe ver uw burg
    Van dezen wildernis?"

Het antwoord is een diepe zucht.
    Wat moet, wat durft de Maagd!
Verloochnen? Waar een heilig man,
    Haar levensredder, vraagt?

Bekennen? 't Geen zijn strenge tucht
    Slechts laakbren mistred heet!
Als boetling schaamrood voor hem staan,
    In't onjonkvrouwlijk kleed!

De zelfstrijd perst haar boezem saam.
    Zij wendt het duister oog
Beproevend op den kluizenaar;
    Met smeeking weer omhoog.

In 't lest, vertrouwen slaakt haar tong,
    Door kille vrees beklemd;
En 't antwoord breekt de lippen uit,
    Terwijl ze in tranen zwemt:

"Ach, Vader, 'k ben niet, wat gij waant!
    Vergeef mijn valschen schijn!
Een sluijer moest mijn tooi, dit zwaard
    Niet aan mijn gordel zijn.

Eilaas, ik ben een zwakke maagd;
    Die hooploos ommedwaalt;
Die, treurend om verbeurd geluk,
    Door heel de waereld dwaalt!

Te veel geroems, te slaafsch gevlei
    Bedierf allengs mijn aard:
Het zoet der liefde werd mij niets -
    De glorie alles waard!

Een ridder kwam, en bood mij trouw;
    Hij was de bloem van 't land!
Maar ik, door ijdlen trots bedwelmd,
    Verwierp ook Rijnouds hand."

""Hoe, Ada! Ada! zie mij aan!
    Wat sloot ons oog en oor!
'k ben Rijnoud! Dit gefolterd hart
    Stond nog zijn wanhoop door.

'k bleef u verpand! Maar gij! hoe smolt
    Uw lange afkeerigheid?
Kon 't spot met Rijnouds jammer zijn;
    Gij had zijn dood bereid!

Gij - mijn?"" Zij prangt hem aan haar borst;
    Haar ziel zweeft op haar mond;
"Voor Eeuwig!" snikt ze, en de eerste kus
    Bezegelt hun verbond.

En nu, gij Meisjes, blond en bruin;
    De sier van ONZEN tijd!
Ik predik met gebogen knie;
    Des hoort mij zonder spijt!

Houdt vast, wanneer een Rijnoud komt!
    Houdt vast zoo duur een vrind!
Te menig, die met Ada zoekt,
    En niet met Ada vindt.

Aantekening