A.C.W. Staring

Ada van Holland

Als gevangene op Texel,
in 1203.

In 't gedruis de winds verloren;
    Over 't woelig ruim der zee,
Laat zich Ada's harptoon hooren;
    Jammert dus haar hulploos wee:

Feestlicht, aan den toorts ontstoken,
    Die mijn Vaders Lijk bescheen;
Echt, van morrend Volk weersproken;
    Van verbitterd Bloed bestreen,

'k Draag uw schuld! in Moederhanden
    Blonk de Bruidstooi, mij ten val:
'k Sleep een boei, aan Texels stranden ....
    'k Was Gravinne, in Dordrechts wal!

Ach, dit hart! (aan Hem ontreten -
    Mijn genoot in 't kort gezag -
Nu op 's waerelds vloen versmeten,
    Waar mijn trouw niet volgen mag!)

Ada's hart, doorboord van wonden,
    Kweekt geen aardsche wenschen meer;
't Voelt zijn laatste kracht verslonden,
    En geen balsem heelt het weer.

Zwaait niet langer, Krijgsbanieren,
    Voor de Gaa van Lodewijk.
Willems vaan blijv zegevieren!
    Dat ze op Leydens Burgtin prijk'!

Vloei', neen! vloei' geen bloedstroom weder,
    Om mijn regt, op Hollands grond.
'k Leg den Staf gewillig neder,
    Die me op zooveel tranen stond.

Groent voer andren, Eikenkruinen;
    Hagen, bij dat Graaflijk Slot,
Waar, in 't luw der witte duinen,
    't Roosje met den winter spot.

Lustoord van mijn kindsche dagen!
    Heuvel, aan den Vijverkant;
Zwanen, op den plas gedragen,
    En gespijzigd uit mijn hand;

Duifjes, die mij plagt te omzweven,
    Daar ik in mijn Bloemhof zat,
Of, in schaauw der hooge dreven,
    Zingend langs den oever trad;

Uurtjes, als de maan kwam lonken,
    Op de stille maagdencel:
Viertijd aan de Vlijt geschonken,
    Bij gejok en snarenspel;

Andren moog' de vreugd verzaden,
    Die gij eens mijn jonkheid bood!
Andren zij, op 's levens paden,
    Zoete Hoop ten togtgenoot!

Vreugde, Hoop is mij ontvaren,
    Uitgespeeld de droeve rol.
Maak, o Dood, mijne achttien jaren
    Met het uur der slaking vol!

Aantekening