A.C.W. Staring

Adolf en Emma

1160

't Was vrede in 't eind, en Adolf keerde,
   Van roem verzaad,
Waar Linge en Waal zijn erfgrond dekten,
   Voor Folperts haat.

Hij ziet zijn burg, die 's Vijands woede
   Van verre tart;
Maar 't schuilend dak, in gindsche abeelen,
   Trekt meer zijn hart!

Ach, derwaarts vloog, bij 't zwaerdgekletter,
   Zijn wensch vooruit.
Daar bleef de ontroostbare Emma kwijnen,
   Zijn lieve Bruid.

Hoe snelt, van jeugdig minverlangen
   En trouw gespoord,
Op wegen, door haar voet geheiligd,
   De Ruiter voort!

Genoegen siert met tooverkleuren
   Het landtooneel.
Geen schooner werd Milanens velden
   Van 't lot ten deel.

Milanen, waar aan 's Keizers regte,
   Graaf Hendrik vocht;
Waar Adolf tusschen bruiloftsrozen
   Den lauwer vlocht.

Hij naakt, en voelt zich meer bewogen,
   Op elken schred.
Hier heeft de liefde, aan duizend oorden,
   Haar merk gezet.

Een kus, in deze beemd geweigerd,
   Werd daar beloofd;
En, bij dien heuvel, half geschonken,
   En half geroofd.

Maar de eedle beuk, den veldweg nader,
   Is hoogst gewijd!
Zijn stam kan Emma's JA getuigen,
   En noemt den tijd.

"Haast zal" zoo juicht hij "op zijn schorsen
   De trouwdag staan!
De dorpjeugd, onder 't breede lommer,
   Ten reije gaan!"

O zoet droom, dien 't bangst ontwaken
   Te ras verdreef!
Geen welkom klinkt, daar 's Minnaars harte
   Bij 't scheiden bleef!

"Een bode, op Adolfs naam gezonden,
   Bedroog de wacht.
Zijn bruid is in TerLedes muren!
   In Folperts magt!"

Zoo dreunt de rampmaar hem in de ooren!
   Hij vraagt niet meer!
Reeds waadt hij door de Lingeplassen,
   Met snellen keer.

Reeds is hij 't volgend oog ontronnen,
   Aan 't andre boord;
Als droeg een stormwind, langs de weiden,
   Den klepper voort.

De grensdijk zwicht, en Arkels vesten
   Beheerschen 't land.
Hier wringt hij, moedig afgesprongen,
   Zijn speer in 't zand. 

Geen valbrug weert hem door te dringen;
   Geen slotgezin.
Hij stapt, de kling ter wraak getogen,
   Het roofnest in.

Hij zoekt; hij wacht; hij roept; geen leven,
   Dat antwoord geeft!
't Is weergalm, momplend omgedreven,
   Wat antwoord geeft.

't Gekraak van schorre vensterharren;
   Van deur en poort;
't Gestamp, waarmee zijn ros van verre
   De stilte stoort;

Meer hoort hij niet, en snelt de zalen
   Vast in en uit;
Tot spoor van bloed, bij 't rustloos waren,
   Zijn schreden stuit.

Hij volgt het, de enge kronkeltrappen
   Eens kerkers af.
De Dood licht voor, waar 't zonlicht nimmer
   Zijn schijnsel gaf:

Een dwaalvuur stijgt, uit grafspelonken,
   Met valen gloor.
Het komt, en lekt, voor Adolf henen,
   Het bloedig spoor.

Hij stuurt zijn tred, langs nare wegen,
   Op hollen grond.
Zijn voetstap bonst de kromme gangen
   Verdubbeld rond.

Nu drukt een welfsel, ruig van schimmel,
   't Verengde pad;
De vlam drijft trager tusschen wanden,
   Door moord bespat!

Zij staat! zij rijst! en lekt niet langer
   Het purpren slijk!
Wat ziet hij, bij haar sombre stralen? -
   Een Maagdenlijk!

Hij staart het aan, met scheemrende oogen;
   Herkent zijn Bruid!
En ademt, op haar koude lippen,
   Het leven uit.

Aantekening