A.C.W. Staring

Hertog Arnoud, in den Kerker

1469

De herstnacht luistert ademloos,
    Om 't hooge slot Te Buren:
Drie grachten over, klinkt een stem;
    Men antwoordt van zijn muren.
Zij riep de derde wachtpoort uit,
Die Arnoud in zijn kerker sluit.

Gij, Arnouds Zoon en onderdaan,
    En dubbel pligtvergeten!
En gij, naast Gelders Hertogsstoel,
    Als Hertogin, gezeten!
Wat sloegt ge uw handen, al te snood,
Aan Vader, Vorst, en Echtgenoot!

Wat hitstet, ge eel en oneel saam',
    Dat, van de Zwalmstroomboorden,
Tot daar 't vertragend Ijsselnat
    Zijn loopbaan rigt op 't noorden,
Al 't Land van zijnen Meester week;
Roermonde alleen standvastig bleek!
            ----------

De nachtlamp spreidt een flaauwend licht
    In Burens Kerkertoren:
Daal laat de grijze Kloostervrouw
    Gods Woord aan Arnoud hooren.
Daar leest zij 'van dat klippig pad,
Dat DAVID eens als HIJ betrad.'

Zij leest 'van 't zwaard op Jesse's Telg
    Tot zijn verderf getogen;
Was Michals trouw, was Jonathans
    Niet reddend toegevlogen.'

'Ach!' klinkt zijn jammren 'bittre wrok
    Sloeg mij nog dieper wonden;
En 'k heb geen Michal, in mijn druk -
    Geen Jonathan gevonden!
Mijn BOEIJEN braken list noch kracht,
Schoon 't vierde jaar zijn loop volbragt;

Het vierde! sinds dat schriklijk uur,
    toen maan- en starlicht faalde;
Alleen de toorts het spieglend ijs
    Met doffen gloed bestraalde,
En 't Maaswed over, voor mijn treen,
    Langs 't pad ... naar dezen kerker! scheen.'

Zoo klaagt hij luid. De Non rijst op;
    Zij spreekt met zacht gefluister;
Dat welfselreet, noch holle wand,
    Verraadlijk haar beluister':
'Uw dienstmaagd, Heer; hoe zwak in schijn;
Zal Jonathan, zal Michal zijn.

Vlie! strekke u deze kloosterdosch
    Ten schuts voorbij den wachter;
Ik blijf, met ongesluijerd hoofd
    Hier voor u biddend, achter.
Al dreigde doodstraf in zijn blik,
Uw Absalon baart MIJ geen schrik.'

'O, meer dan Michal! loone u God
    Wat Hij alleen kan loonen! -
Maar - Bruid des Heilands! 't eergroen waard
    Der paradijspalmkroonen! -
Maar - wat me uw trouw te hopen gaf,
Wijst deze handdruk dankend af.

Stond DAAR de pligt van GADE en VRIEND -
    MIJN pligt staat HIER te lezen:
Die David, mij in lot gelijk,
    Moet ook mijn VOORBEELD wezen!
Hij was 't 'die 't Nat voor God vergoot,
Toen Bethlems Put hem laafnis bood.'

Hem volg ik na! DEN KELK DER HOOP
    Zal ik den Heere wijden: -
Ik stort hem uit! Gij kocht te duur
    Mijn slaking voor uw lijden,
En laaddet nieuwe schuld op 't hoofd,
Van die mij staf en vrijheid rooft.

Doch, breekt, wie alle kluisters breekt,
    De Dood haast deze banden,
Mijn graf zij, waar gij 't aardsch gewoel
    Ontvloodt in Kloosterwanden;
Waar Geertes oor zich luistend nijgt,
Als 't offer van uw lippen stijgt.

Laat daar uw heilig overschot
    Zijn rust naast mij erlangen,
En sluimren, tot het Groot Gerigt
    Vergeldend aan zal vangen;
Gods Engel met bazuingeschal
Het dor gebeente wekken zal!

Heeft dan! helaas! mijn oog geen Zoon -
    Geen Zoon! - of Gaa! - te ontmoeten;
U, Edelhartige! u zal 't zien;
    Mijn juichstem zal u groeten;
Den duizenden, die om mij staan,
Verkondend: dit heeft ZIJ gedaan:

Toen ik, van Kroost en Echtgenoot
    En trouwlooze Onderzaten -
Ik, Grijzaard! - smaadlijk voortgesleurd,
    Geboeid was, en verlaten,
Toen sprak ze: 'ik zal, hoe zwak in schijn,
Een Jonathan, een Michal zijn!'

Zoo antwoord Arnoud. Schoone strijd
    Van Weigren en van dringen,
Moge eenmaal u een ander lied
    Dan 't mijn naar waarde zingen!
En zij, bij 't laatste nageslacht,
Dien strijd verdiende roem gebragt!

Aantekeningen