A.C.W. Staring

Bede aan Mavors

"Hoe blijft - - - yet doenlijks ongedaen,
Daer Eer, en Voordeel, en Vermaeck te samen gaen?"

Const. Huygens.
Zeestraet.
    Een Dichter, maar wat schuw voor 't Hippokrener Nat;
Met Nereus Volk bevrind, doch vijand der Najaden,
Knielt bij een outer neer, dat schuilt in lauwerbladen,
         Aan Bergens Duin met bloed bespat.

Gij luistert, Mavors, ja gij luistert naar mijn smeken!
  Ik ben, door Phebus dienst, uw gunstige aandacht waard;
   De vreegezinde Lier is, als het Oorlogszwaard,
         Aan 't hemelgewelf een sterreteeken!

   Zoo help, zoo red mij dan, die hopend tot u vlood!
Ik zie geen diefschen tros hier in de bosschen loeren;
Mij dreigt geen vork of zeis, 't geweer van dolle boeren;
         Het ergste dreigt mij! Watersnood!

In 't hart der heuvels, die mijn worstlend Erf bezoomen,
   Verborg de Poelgod, ons ten Dwingland opgeleid,
   Zijn kruik, uit leem gekneed, en laat onvruchtbaarheid
         Naar de overstelpte Vlakte stroomen.

   Een kracht, die graan zou' voen, wordt door de bies verslokt!
De kruipwilg rooft een gunst, waarvan ons ooft zou gloeijen!
Het welig zuiglam kon in malsche beemden stoeijen,
         Waar nu de vorsch in modder wrokt!

Wie waagt den Halfgod onze grenzen uit te dringen!
  Gij waagt het, Mars, en strijdt, niet slechts voor ons en de
  Een Vest, u toegewijd, bescherm zich door dat Meer,
         Dat ons verdervend kwam bespringen.

  Belang van Vrede en Krijg! te schaars vereend belang!
Hoe godlijk is de magt, die u te saam zal paren!
Triomf! de Vloed krimpt weg! 't Moeras teelt nikkende aren!
         Het poelgeschreeuw wordt veldgezang!

Ginds jaagt nu 't loome nat; o Berkel, met uw plassen,
  Wanneer de Nood gebiedt, aan 't eigen perk gestuit;
  En breidt, om Zupthens Muur, zich in de kolken uit,
         Die zijn bespringren tegenwassen.

  Ja, 'k zie de Toekomst reeds van Wondren zwaar! De stroom
Laat vlot en vrachtboot, op zijn spiegel, veilig wiegen.
Ik zie, door 't bruin der hei', de blanke zeilen vliegen.
         Genoeglijk schouwspel! Gouden Droom!

Vervul hem, Juno's Telg! Zoo dichters waarheid spreken,
  En 't minnewekkend schoon u zoet in de oogen speelt?
  Geen Voorspraak beven HAAR, die mijn verlangen deelt!
         De blonde Ceres helt mij smeeken!
1801
Aantekening
Spoor aan den naneef