A.C. W. Staring

Belisa in Zwijm

  Het maagdlijk schoon, waaraan de sluijer faalt,
  Een zilvren wolk gelijk, door Phebe's licht bestraald,
Het jeugdig hoofd, op eene arm gebogen,
Die in haar vlechten schuilt; de zacht geloken oogen;
  En nu die lach, die 't kiemend leven meldt;
  Dat rozenbloed, dat langzaam weêr in de aâren zwelt,
En tusschen 't wintersneeuw de lente doet ontluiken.