A.C.W. Staring

Het Schip van Bommel

1511

Heft dolle Tuimelzucht de Muitvaan op -
Ontvlamd, voor 't geen zij morgen weer verschopp' -
Zoo grijpt het zwaard, gij Goden onder God:
Bedwingt met strengen arm het smaadlijk Rot!

Maar! gordt een Heldenschaar zich ààn, ten pleit
Om wettig erf, te wrevel haar ontzeid,
Dan vlei geen iedel trots den Dwingeland;
Het Zwaard des Regts blinkt vruchtloos in zijn hand!

Hij, die zijn boezems inspraak schuldloos kent -
Die t' oog naar grooter goed dan 't leven wendt -
Die tart dat zwaard - voor hem geen Regtzwaard meer!
En vat gelaten 't zijn, ter tegenweer.

Getuigt het vijftig jaar van onheilsnacht,
Toen Gelder, kampend met Bourgonjes Magt,
Vertrapt lag, wijl 't aan Eigen Heldenbloed
Het trouwe hart schonk, bij den Vorstenhoed!

O achtbaar Hoofd van Heusden! terging was 't -
Geen afschrik! dat ge, aan 't steile schandhout vast,
Van Bommels Slotmuur neerzaagt in die stad,
Die in uw wijsheid eens haar stuen bezat.
                         ---------
        'Wraak!' roept van de Burgmuurtinnen
           Heusdens bleeke mond.
        Wraak1 die Bommels Poortren zweren,
           Met al 't land in 't rond.

        'Zou 't Bourgonjesch Kruis nog pronken,
           Naast dat eerlijk Hoofd!
        Zou 't nog zwieren van die wallen,
           Aan hun Heer ontroofd?

        Neen! Voor 't uitheemsch Wachtwoord, dreune
           Karels Veldgeschreeuw!
        Voor dat Kruis, met schand beladen,
           Wappre Gelders Leeuw!'

        Haeften dacht het - Haeften zwoer het -
           Maar in 't innig hart!
        't Kalm gelaat geeft niets te lezen,
           Wat een vijand sart.

        Groet zijn Blik een Medestander -
           Haeftens Woord is koel.
        Onuitvorschlijk zijn zijn gangen,
           Ten verborgen doel.

        Luttel Volks (genoeg ter zege! -
           Helden, één van ziel!)
        Koos hij uit zijn Dorpelingen -
           Bood hem 't strijdbaar Tiel.

        Naar een schip, aan Waalstrooms oever,
           Slopen paar bij paar.
        Rijshout werd omhoog geladen -
           Onder zat de schaar.

        Haeften, in een pij gedoken,
           Sloeg de hand aan 't roer;
        Lustig fluitend, lugtig zingend;
           Of hij spelevoer.

        Over Echtelds Burgtin zuisde
           't Oosten langs het vlak.
        Vòòr hem blaauwde, op lager zoomen
           Balvrens gastvrij dak.

        Die stroomaf wedijvrig volgen,
           Biedt hij gullen kout,
        Tot hij, lijwaarts, tusschen de olmen,
           Rossems Vest aanschouwt.

        Die hem worstlend tegenloeven,
           Roept hij kortswijl toe;
        Tot hij landt aan Bommels muren -
           Pij en helmstok moe.

        'Holla! hei! 't Klinket ontsloten!
           'k Breng bestelde vracht.'
        End de Steeman is verschenen,
           Waar de Schipper wacht.

        ''Vriend, wat brengt gij?'' 'Rijs!' roept Haeften.
           Plotslijk rijst zijn Vracht!
        Hek- en Poortslot geeft de Vragen
           Siddrend in hun magt:

        Voor de sleutels - die vanbuiten
           Zorgden achter hem, -
        Voor de sleutels koopt hij 't leven; -
           En ontsnapt den klem!

        Vrij is Bommel, dat de handen
           Aan zijn Redders biedt;
        Daar 't, met hen, den Burg omsingelt,
           Die de stad bespied!

        Vruchtloos dreigt het roer van boven,
           Op hun schaar gerigt:
        Zaag en aks begint te sloopen,
           Waar de Veldbrug ligt.

        't Geldt den afweg, die ten zuiden,
           Helpren ingang schonk;
        Of den Burgtling uit zou' laten,
           Als hem 't hart ontzonk.

        Hoort het rustloos ijzer klinken!
           Juichtoon, wijd en zijd
        Op 't gedaver aangeheven,
           tot Bourgonjes spijt!

        Hoort het bruggebindte kraken!
           Ziet het neergerukt!
        Hulp en vlugt werd afgesneden;
           En de Vijand bukt!

        Maar, de Feestklok moog het galmen,
           Langs de ontboeide Waal,
        Haeften treedt den slotmuur binnen,
           Zonder wapenpraal.

        Om hem trotst geen pluimgewemel;
           Spreidt het staal geen gloed:
        Needrige Eenvoud gaf haar sluijer
           Aan zijn kleinen stoet;

        Priesters zijn 't! Uw Hoofd, o Heusden,
           Daalt van 't smaadhout af!
        Zwijgend wacht van ver 't Geleide;
           Gaat de togt naar 't Graf.

        Gelders Vaan voorop! Bourgonjes
           Komt, gesleept in 't stof,
        Waar het Koor, dat Nassau wijdde,
           Dreunt van 's Heeren lof.

        Onder Karels Leeuwbaniere -
           Voor het Hoogaltaar,
        Ligt nu op fluweel de schedel
           Van den Martelaar.

        'Dat hem rust na 't strijden loone,'
           Smeekt der zangren stem:
        Diepe weemoed paart zijn snikken
           Aan het requiem.

Aantekeningen