De Twee Bultenaars

A.C.W. Staring
Een verhaal
In de eerste helft der vijftiende eeuw geplaatst.

 Twee wakkre Bultenaars; Graaf Ot, die 't pak van voren,
 Graaf Freedrik, die 't van achtren droeg;
 Begeerden Klara's hand, en vrijden drok genoeg,
Maar Jonkvrouw Klara had geen ooren.

 Eergierigheid hing juist met Liefde in evenwigt,
Bij Ot; en die, op 't zien van zijn volhardend jagen,
 Begrepen, dat de minneschicht
Hem erg trof, keken mis!

                         Dorst Freedrik zacht te klagen,
 Dan was 't van dieper smart. Hetzij een klein gedicht,
Haar in de hand gespeeld, de Maagd zijn trouw bleef toonen;
 Hetzij, naar oudren wijs, bij nacht,
 Zijn stem en luit haar, onder 't venster hulde bragt.

Ots wierook brandde voor de schoonste van de schoonen;
 Op wie de vreemdling, 't hof, de stad,
 Bij ieder feest, de blikken had.

Frits bidt het Meisjen aan, dat, in den kring gevangen,
 Waarbinnen 't ledig vold naar schijnvermaken rent,
 Het oog onwrikbaar houdt gewend,
Naar vreugd van echter keur. Dat in geen strik blijft hangen,
 Dien vleijerij den hoogmoed spant;
 En, uit den dwang van Arnhems pronk, naar 't land
Terughaakt; tot de nachtegaal zijn zangen
 Herhaalt; de boord der Grift haar weer 't genot bereidt
 van hof- en veldbestier; van rust, na bezigheid
 Wat Ot van Freedrik onderscheidt
Ontsnapt het Meisje niet. Ja! in haar binnenst fluistert
 De vriendschap vaak een meegaand woord,
 Voor die, als Dichter, die, als Zanger, haar bekoort;
 Naar wien de Jeugd zoo gretig hoort,
En die, waar Grijsheid spreekt, zelf luistert.
Maar 't licht van hooger gunst wordt staag voor hem verduisterd;
 Bij wijze van eklips! - naauw gaat het op, of 't schuilt
 Weer achter 't bultgebergt, dat uit zijn ruggraat puilt.

""Vrouw van een Graaf te zijn?"" "Al kwamen dubble Graven;
Al kwamen Prinsen; en stalden zoo veel gaven
 Als titels uit, en daverden van 't goud;
 Met een misbakken Man wordt Klara nooit getrouwd!"

Dit was, verzacht, het slot, toen Klara, moe gedrongen,
Gesmeekt, gedicht, geciterd, en bezongen,
 In 't eind baloorig werd.
                           Daar zat nu 't vrijerpaar;
 Bijzonder Frits; de hand in 't haar!

Maar grijze Roel, de trouwe Achaat van dezen;
 Die zoo zijn Heer en Pleegkind zitten zag;
 Begon, op zeekren dag:
"Graaf Fritsje, kan het wezen,
 Vertrouw mij dan, waar 't schort;
 Eer 't erger wordt!
Gij zwijgt? Welnu, dan ga ik weer aan 't raden; -
 Soms lukt mij dat!

                         Was jonkvrouw Klara niet
 Zoo regt, zoo scheutig als een riet;
Of - beter! - waren WIJ ontladen
 Van dat verwenscht te veel; (dat HIJ toch naauwlijks ziet,
Die ons als kind op de armen heeft gedragen!)
 Misschien dat dan ... zich - van den tijd - iets hopen liet! -
Dit dènkt gij, Fritsje. Ik zèg: dan had het uur geslagen -
 Zoo dadelijk! - Gij meent, dat ze ons niet lijden mag? -
Verkeerd! Al word ik oud, ik heb dat waargenomen;
 Niet eens, maar meermaals; dag op dag:
 Haar stemmigheid sprak even duidlijk als haar lach.
WIJ - zorgen slechts, om van de toemaat af te komen,
 Die ons postuur ontving! De kans daartoe staat schoon!"

 ""Voorzeker, Rudolf! en de Meester eischt geen loon
Die mij cureeren zal - de Dood!""
                                "Zacht! zacht! wij steken,
 Indien gij 't waagt, van land, niet op een lijkbaar aan,
 Maar op de Bruidkoets.
                        Hoor! zit onze Kapellaan
Bij U, hij zal van geen mirakels spreken,
 Want daadlijk komt gij met spitsvindigheid ter baan.
Doch, wat hij MIJ vertelde, die mijn oordeel,
Zoo 't past, gevangen geef, verneem dat, tot uw voordeel
 Geen sprookjes zijn 't, die ik verhalen zal;
 Behalve man en paard, noem ik u huis en stal.
Hoor! Wil uw twijflarij van wondren doen niet weten.
 Te Hedel aan de Maas leeft een eerwaardig Man,
 Die u beschamen kan.
Die Man hiet Wolf; hij woont, naar 't oog gemeten,
 Vier kruisboogscheuten ver van 't Dorp; links af.
 Hij droeg zijn zoon en vrouw naar 't graf;
Maar wat hem (""Kort, Roel, kort!"") ... wat, in zijne oude dagen,
 Hem overschoot,
Dat is een Dochter, als geen oogen schooner zagen.
 (""Al verder!"") Van jongs af was Wolfs devotie groot,
Voor Kufus, die de martelstaf moest lijden,
Bij 't volk van Bacherach, in Keizer Nero's tijden.
 Hij werd . . . . de Man werd in een wijnpers doodgeplet,
Omdat hij 't outer van God Bachus had geschonden.
 (""Wel foei! en Wolf?"") Lag eens te bed
Graaf Fritsje! Een amerij uw drift nog ingebonden! -
 Wolf lag, en sliep; een maand geleen;
Wanneer de Martelaar hem in een droom verscheen;
 En sinds . . . . geef acht nu! sinds .... vermag Wolf vleesch en been,
Gelijk week was, in elken vorm te kneden!
 Geen twee-, geen drietal, neen! voor 't minst een twaleftal
 Ervoer 't! Een sukkel, overal
Bij boer en hond bekend, als bedelaar; van leden
 Verdraaid genoeg, om voor een schildpad door te gaan,
 Kwam gistren, regter dan een outerkaars, hier aan.
Een die hem kruipen zag, den tijd van dertig jaren,
Vònd hem, spràk hem, en zal 't verklaren!
 Daar is hij juist - De Kapellaan!"

En nu. mijn Lezer, dat. Frits ging is ligt te ramen.
 Mogt u, bij wintertij, een springtogt over de Rijn
 En Waal, zoo min als HEM en MIJ, bedenklijk zijn,
Welaan, dan gaan wij allen samen.

 't Begin wekt, dunkt mij, hoop: 't aartsvaderlijk gelaat
 Van Wolf heeft niets, dat naar 't bedriegen staat.
Geen boetmom hangt hij vóór; zijn kost en drank verstrekken
 Daar tuigen van. De wijn van Bacherach,
Geschonken uit een kruik, waarop het staal de trekken
 Graveerde van den Man, die onder 't persblok lag,
Is alles wat den Droom, en 's grijsaards Wondergaven
Gedenkt. Hij vraagt naar 't hof - naar 't heer; Hij weet van 's Graven
 Geplukte lauwers. "Die den angst der zee ontkwam"
Zegt hij "beschouwt nog graag heur tuimling uit de haven."

 Zoo rekt hun kout, terwijl de haardsteevlam
Verkwikking spreidt. De Hof lacht, door de vensterstaven,
 Schoon arm aan bloei, toch met zijn palmrandgroen,
 het rood koraal der hulshaag, en 't festoen
Van klimmer langs den muur, den Gast toe. Doch naar 't wezen
 van Haar, wier weefstoel ginds heur kunst getuigt en vlijt,
Keert staag zijne aandacht: "Neen! 't werd niet te hoog geprezen
 Dat schoon gelaat, waarop in zoeten strijd,
Gevoel en geest om beurt met tooverlachjes zweven!
Gelukkig Vader, wien dat Pand nog is gebleven!

Gelukkig ik! als zòò, die mij verstiet,
 Haar stille zorg voor MIJ eens waken liet;
Met zachte hand dat huis bestierde,
 Waarin ik eenzaam treuren moet!
Dààr met bescheiden TOOI 't geen enkel GOED was sierde;
 Dààr Orde schonk aan d' Overvloed."
De Minnaar dacht het, en verzuchtte. Rudolfs oogen
Had vriendentrouw gescherpt; van elders kwam 't vermogen,
 Dat Wolf den boezen van zijn Gast
 Doorzien liet. Ernstig rijst de Grijsaard, en betast
Zijn schouderblaan, terwijl een heimlijk trillen
 Hem door 't gebeente vaart. "Neem, edel Jongeling,
 wat zij, wier beeld, als een engel, met u ging,
U willig schenken zou', was haar de magt bij 't willen
 Verleend, die MIJ gewerd!"
                            De Grijsaard sprak, en 't hoofd
Des Graven rigt zich op. Zijn blonde lokken zweven
 Langs effen rug; geen moedeloosheid dooft
Zijn blikken meer; zijn borst wordt krachtvol opgeheven.

 Niet eedler schiep, o Gabriël,
 Uw beitel; schooner niet uw kunstpenseel, Apell'
Van Bree, den Argonaut, het doel zijns togts genaderd,
En 't vlokkig Goud bereikend in 't gebladert'.
 Niet schooner en niet eedler dan hij staat:
 De traan der vreugd op 't mannelijk gelaat!

Ik maal zijn dank niet af; dit waar een ijdel pogen!
Wij volgen hem, die, in gepeinzen opgetogen,
 Na korte nachtrust, langs den vloed
 Der Waal, weer huiswaarts henenspoedt.

Doch wie komt ginder als een wervelwind gevlogen!
 Geen ander dan Graaf Otto. Wat voert HIJ
 In 't schild? - Om dit te ontraadslen keeren wij,
En gaan zijn gangen na.
                        Ei ziet! Op Hedels toren
Is 't mee bij hè gemunt. Ook Otto had twee ooren
(Zoo 't schijnt) voor 't Nieuws, dat Arnhem op deed hooren
 Met Velp en Oosterbeek. De kromme Bedelaar
 Verkneed te Hedel, bragt den Tweeden Bultenaar
Als d'Eersten op zijn hengst.
                        Hij landt aan 's Grijsaards woning,
 Doch vindt den Huisheer niet; een winterzonneschijn
Heeft hem naar 't veld gelokt.
                                  Met gulle pligtbetooning
 Vervangt, terwijl hij toeft, zijn Dochter hem. Den Wijn
Van Bacherach genaakt zij met de lippen,
 En biedt zij haren Gast. Hij vindt dien meer dan goed;
 Ook stolde 't guur noordwest zijn bloed;
Hij laat dies andermaal een kroesvol binnenslippen.
 Maar, ras doortinteld van verraderlijken gloed,
Begint de Vlinder nu om 't Roosjen heen te zweven,
 Dat schuldloos lokkend vòòr hem staat;
En heeft straks toornende ernst het maagdlijk zacht verdreven,
 En vonkelt fierheid uit Agnetes schoon gelaat,
Te schooner dunkt zij hem!
                                "O, die die purperboorden
 Van dezen mond ..." Een knellende arm omsluit
 Haar middel, als deze aanhef wordt gestuit;
Daar Wolf komt!
                     Lijkbleek, zonder woorden
 Vast in den vloer geworteld, staart Graaf Ot
Hem aan!
           Op 's Grijsaards wezen straalde
 Door Gramschaps donkren nacht een flikkerschijn van spot:
"Heer Graaf" zegt hij "wie zòò vooruit betaalde,
 Wat ik te geven heb, dient niet gelijk gesteld
 Met andren! zwaar gewigt weegt hem, voor 't ligte geld,
Mijn hand toe." Deze hand vaart Otto, onder 't spreken,
 Langs beide schoudren; 't vleesch kompt òp, gelijk door 't weeken
 Een spons, of meelbeslag door kracht van gisting, zwelt.
Klaar is de Paddestoel; vóór kogelrond en achter.
 De lijder blijft geboeid aan voeten en aan tong:
 Dat hij de ontbarsting aan zijn grimmigheid bedwong,
Was dus geen wonderdaad.
                           Iets zachter,
 Vervolgt nu Wolf: "Ga heen, Graaf Ot, en keer
 Een jaar na dezen (doch, let wel, gebeterd!) weer.
Graaf Freedrik - krèèg hulp, - ù mag ik dàn verkonden."
Ots voeten laten los. Zijn paard staat aangebonden,
 Nabij de huisdeur, maar 't herkent zijn Meester niet;
Ook had de Ruiter nog den stand niet uitgevonden,
 Waar thans zijn bovenvracht zich best in dragen liet!
Hij wurmt dies vruchtloos om den wildvang te beschrijden,
 Tot Agnes - (meent gij, dat hem 't Meisje niet bespiedt?)
 Tot Agnes eindelijk geen langer weerstand biedt,
Aan de inspraak van haar medelijken.
 Zij komt en helpt, waar, zonder hulp, de Bloed
Het vliegen evenligt gedaan kreeg als het rijden.
 Heeft ze (eer de Graaf met beugelvasten voet
Op Beyaart zat) heur lagchen slecht verbeten -
't Ging achter 't scherm; hij kwam het niet te weten:
 Geen wrange durppel viel in 't zoet,
Dat haar meedogendheid hem troostend gaf te smaken;
 Doch waar zijn tòng van zwijgen moet;
Deez' liet zich nog, hoezeer hij wrong, niet slaken!

 En wat vangt Ot nu aan, dat hij den spot ontduik',
Die zij postuur bedreigt, zoodra 't zich durft vertoonen
 Bij maag of kennis?
                     In 't gebergt', niet ver van Luik,
 Bezit hij een kasteel; daar beevaart hij, ter sluik,
Woud in woud uit heen, om er 't strafjaar te verwonen.
 Hij kan niets beters doen, en blijv' dus in balans
Daar hukken. Wij gaan zien, wat Freedrik heeft gewonnen
 Bij 't Hedelsch Reisje.
                      Veel! naar 't flonkren van den glans
Der gunst uit Klara's "tweelingzonnen".
Ook is, in stee, 't gesnap der moeizucht al begonnen:
 Na veertien dagen, meldt u 't kleinste kind op straat
 Wanneer zij trouwen. Met der daad,
Acht weken later ... heeft de Maagd haar Woord gegeven.
Nu heet het: "Plotslijk is de sluijer opgeheven!
 Aanstaande herfst zal 't in Sint Maartens Kerk
Hier te Arnhem wezen; met een zwier om van te beven.
 De kantemaaksters zijn te Brussel drok aan 't werk;
Te Gent is 't laken voor de staatsieliverijen
Besteld." Maar, wat gebeurt? De wei'en
 Aan 't bed der Grift zijn met haar lentegroen
 Na Klara's komst gesierd; daar wordt, in 't needrig Oen,
De kleine Kerk van Dionys ontsloten;
 De priester stapt er heen; de heldre dorpsklop luidt;
Nieuwsgierig komt het landvolk aangeschoten;
 En nu! een Stoet genaakt: 't is Klara! 't is de Bruid!
Zij steunt op Freedriks arm, en heeft diens steun van nooden:
Haar knieën trillen, en haar adem schijnt gevloden.
 Maar als de Man-Gods vraagt; al 't lotverbindend Ja
 Luid klinkt uit Freedriks mond, spreekt Zij het moedig na.

Zij zijn gepaard, en 'k geef u in bedenken,
 Gij Schoonen, die mij leest, om thans
 Het goede Meisje daar te Hedel, óók den Krans,
Die 't hoofd der Bruiden siert, te schenken?
 Gij gunt haar zulks (vertrouw ik) even graag,
Als ge aan uzelv' den mirtentooi zoudt gunnen!

 Zij huwt dus; dit staat vast! wij staan slechts voor de vraag
Aan wien wij Agnes geven kunnen?
 Een ridders-dochter aan een lompen boerenkloen,
 Te Heel? 'k pluis niet te naauw, maar dit had geen fatsoen!
"Een Ridders-dochter!" vraagt ge - ik antwoord: trots de beste!

 Geboren in een slot, aan Hollands oeverduin,
Sleet Wolf zijn Kindschheid daar. Hij hield, als Man, zijn Veste
 Te leen van Oostervant. Den ondoorbreekbren Tuin
Om 't sterke Hagestein vlocht HIJ mee, toen een bode
Van ramp hem huiswaart dreef: "dezelfde krankheid doodde
 Den eigen dag zijn Gade, met den Zoon,
Op wien, naast hem, alleen de naam zijns stams berustte."
 Een dochter hield hij nog als paerel aan zijn kroon;
Zij was 't, wier zoet gevlei zijn eerste wanhoop suste,
En van zijn bleeke wang de spade tranen kuste.
 Maar deze Burgt in rouw, hièr van een woeste zee
Omsingeld - dààr van barre klingen,
 Wekt, staag op nieuw en steeds verscherpt, zijn wee!
Hij voelt door vaderpligt tot zelfbehoud zich dringen;
Ontrukt zich dezen oord vol doodsche mijmeringen;
 En rèdt zich, voor zijn Kind! Waar, op heur korte baan,
 De Maas en Dieze, pas versmolten, samengaan;
In 't luw van Hedels popeldreven;
Wijdt hij aan hààr zijn diepverborgen leven.

 De jaren vlieden, en zijn smarten zijn verzacht;
De zorg vervangt ze! "Wie, ach wie, na mijn verscheiden,
Beschermt mijn Wees! Wie zal haar jonkheid leiden!"
 Zoo denkt hij vaak; zoo had hij weer gedacht,
En hèrdacht, duizend - duizend werven;
 Tot nu .. (triomf! wij zijn, waar uw geduld ons bragt!)
 De Bruiloftskroon van verre onze Agnes tegenlacht.

De Herfst is dus in 't land; daar komt met matte schreden,
Een oude Pelgrim. Wolf laat daadlijk, ongebeden,
 Hem binnengaan, maar leest op zijn gelaat,
 Terwijl 's Mans oog een blik in 't ronde slaat;
Nog meer, zoo ras het opgeheven
Den Hof doorloopt, en Agnes aan komt zweven;
 Verbazing: "Is het waarheid? Is 't een droom?
 'k Zag dit Vertrek, dien Hof, ter plaats vanwaar ik koom:
In 't Luiksch gebergt'. Door koos een Jonge Graaf zijn woning;
 Voor allen omgang schuw. Men gist van tweeën één:
Hij kwijne aan zielsverdriet, of schaam' zich der vertooning
 Van zijn wanstalligheid. Een jaar op 't hoogst geleen,
 Schiep hij, wat ik hier weervinde, om zich heen,
En gij; in een tafreel aldaar Agniet geheeten;
In wit gewaad bij een wit lam gezeten;
 Volschone Maagd, versiert, door zijn bestel,
 Het altaar van de nieuwe burgkapel."

De Pelgrim spak. Hij heeft den leliebloei in rozen
 Verkeerd op 't voorhoofd van zijn Hoordster; en de lach
Haars Vaders wekt van nieuws haar blozen.

 "Dat zocht de Reiziger" ('t wordt Agnes heldre dag!)
 "Dien ze op haar weg, dien ze in de dorpskerk zag.
Hij kwam, voor zijn paneel, haar wezenstrekken stelen.
Den Graaf zelv' kon' dit Huis ligt in 't geheugen spelen:
 Het Huis, waar hij een feil beging,
 Die strenge straf van rassche hand ontving!"

Dit denkt Agneet; en ('t blijft tot ù gespoken,
 Gij Schoonen) zoude uw torengloed,
Hoe billijk en hoe fel was hij ontstoken,
 Niet dooven, had een Man zijn misgreep zòò geboet,
 Als onze Kluizenaar? en badt gij dien geen goed
Uit vollen boezem toe, al zat zijn hoofd verzonken
 In kemelbogchels, die uw beeld
Een plaats op 't Outer had geschonken;
 Dààr, waar 't in gulden glans, van wierookwalm omspeeld,
 Den neergeknielden trof, dat hij de ontsloten lippen
Bewondrend stilhield, en geen bidkraal meer liet slippen.
 Gewis, gij werd verzoend; gij boodt hem welverdiend,
 Als Agnes deed, ten minste rang van Vriend.

Doch, wat bragt Otto's geest aan 't malen,
 En liet hem Heel, zoo 't leefde, en groende, en stond,
Naar zijn Kasteel, in 't Luiksch gebergte te halen?

 Erinnert u, hoe Wolf den Lijder henenzond,
En deez', ter sluik, bosch in bosch uit ging dwalen.
 Dit traag laveeren gaf tot dweepig mijmren tijd!
De Schrap (ontvangen, toen hem 't kusje niet gebeurde)
Werd tot een Wond, die Ot al dieper scheurde.
 Frits is zijn Bult, en HIJ is Klara kwijt:

De plaats van Klare aan Agnes te verschenken ...
 Beminlijk boven Klara zelv'! ... zijn spijt
Alleen had straks aan zóó iets kunnen denken!
 Doch spijt behoeft hier niet: de zoete zedigheid,
 Gelijk een sluijer over Agnes schoon verbreid;
Heur eedle trots; heur hart, dat zich omhulde,
Terwijl zij bijstand gaf, aan die 't met smart vervulde:
 Ziedaar wat reeds genoeg Agneets triomf bereid!

Wolf - schenkt vergiffenis, van 't geen Graaf Ot verschuldde!
 "Dit loon" zei Wolf "is den Bekeerling weggelegd."
Ots Pak wordt dus, zoo ras zijn faaltree zal verjaren,
 Hem afgeligt; daarna geen hand hem meer ontzegd,
 Om zijn misvormd postuur; - en 't eindigt met een Echt!

Maar! - Wolf? - is Wolf! - en Ot, wiens Vaadren, ging 't naar regt,
Zoo goed als Gulik, reeds een eeuw lang Vorsten waren...
 Ot - Schoonzoon van dien Man?
 Laat alles mooglijk zijn, 't is klaar dat dit niet kan!
Doch even min kan Ot Agnete laten varen!
 De Liefde en Hoogmoed, in zjn borst,
 Staan weerzijds even schrap!
                           Wat beider tweekamp schorst,
Is eindlijk dit ontwerp: Ot zal Platonisch minnen:
"De hand van Klara moog de blonde Freedrik winnen;
 Een schoon, waarbij zelfs Klara's achterstaat,
Zal HIJ aanbidden! 't slijk ontrezen,
Gelijk Vaucluses Zwaan - door Agnes lieflijk wezen
 Van ver bestraald - smaakt HIJ wat grove lust
 Niet geven kan!"
                        Nu was zijn Graaflijkheid gerust,
Zoo wel 't penseel als schup en hamer streefde
 Wedijvrig hem ter dienst; een Pellegrim lei' aan,
Waar Plato bij de sfeeren zweefde;
 Vertrok weer; klapte; en, als de zilvren maan
 Sinds voor de tweede maal haar kring was rondgegaan,
Brak Otto met een hart, dat meer aan 't stoflijk kleefde
 Dan hij zelf wist, naar 't regtdoend Hedel op.

Hij volgt de sporen van zijne eerste kronkelgangen;
 Maar 't eindigt stapvoets wat begon met een galop:
't Beslissend uur genaakt! en Otto voelt zich prangen,
 Door vrees, dat Wolf misschien geen echte beetring ziet,
 In de offers, die zijn hart thans aan Agnete biedt
(De Vaders zijn wat raar!) - dat dan zijn pak blijft hangen,
 Op rug en borst! of, liep dit gunstig mee,
Dat bij Agnete geen vergeving is te erlangen!

 Zoo plaagt hij zich, tot Heel toe; waar hem vree
Op Wolfs gelaat ontvangt! Wat voorviel schijnt vergeten.
 Uit andre Kruik, dan die van Kufus, vliet
 Een teug, die hem 't verschoonend welkom biedt.
Alleen de schenkster faalt!

                             Ot dùrft en kà niet vragen.
 Hij zucht naar Agnes, en hij siddert dat zij koom'!
 Dan scheen hem plotslijk vuur, dan eenslags weer een stroom
Van ijskoud nat, door de aders rond te jagen.

Zijn Bult vergat hij gansch! Maar, die de wond geslagen
 En heeling had beloofd, Wolf dacht er om: hij schonk
 Aan Otto dubble gaaf. Zijn Mijterheuvel slonk;
En, waar geen Freedrik was, kon' Otto, bij de mannen
Voortaan de kroon der schoonheid spannen.
 Zoo ziet hij zich in 't spiegelend metaal,
Waarmee de huiswand pronkt. Dat uit Agnetes oogen
 Thàns òòk een blik verholen op hem daal'.
Wiens betering zich zwijgen laat betoogen;

 Op hèm, die nu veelligt, instee
Van afkeer, of van mededoogen,
 Een zoet verwondren wekt! en zij dan binnentree -
Dezelfde als toen zij hem groothartig hulp kwam geven -
Dit wenscht geheel zijn ziel, terwijl ze, in eens ontheven
 Van 't geen twalef maanden drukt,
 Besluit: "De Bloem wordt mijn! geen ander die haar plukt!
Tot welk een razernij had trotschheid mij gedreven!
 De glorie van een Heilig siert het hoofd
Diens Vaders, dien ik zinloos dorst verachten!
 Het schittren van mijn Stamboom wordt verdoofd
Van dezen glans! -"

                       Dat steil beklimmen Ots gedachten!
Inmiddels laat zijn Dank den grijzen Wolf niet wachten:
 Hij tuigt, met handdruk en met mond -
 Uit de allerdiepste diept' van zijnen hartengrond -
Erkentlijkheid; en - (Wolf drong op geen toeven)
 En = 't oogenblik van afscheid is nu daar! -
Is - zonder Agnes daar! Geen plettrend martelschroeven
 Heeft Kufus zoo gefolterd! Ieder haar
Van d'armen Ot hangt met een druppel zweet beladen.

"Uw Graaf is mal! 'k Wil hem ten beste raden:"
 Spreekt iemand hier "hij zij beleefd; hij vraag
 Naar Agnes, bij Papa. Hij zeg hem, dat hij graag,
Berouwend wat hij deed, voor haar zijn knie zou' buigen,
En, nu hij 't kàn, haar zijnen dank betuigen.
 Zoo loopt het los!"

                         Gij hebt gelijk, goe Vrind,
En kondt, in Ots geval, zoo spreken,
 Want gij hebt nooit, of niet als Ot, bemind.
ZIJN liefde maakt hem blooder dan een kind,
En 't woordjen Agnes blijft, bij HEM, geweerhaakt steken!

In 't lange leste wordt, met blozen en met bleeken,
 Dat woordje toch geslaakt, en om de hand der Maagd
_In forma_ door graaf Ot gevraagd.

Maar onmeedoogend kwelt het nederig bedenken
 Haars Vaders hem: Zou' Ot een Meisje zonder naam
Den Grafelijken Trouwring schenken?
 Het Geitje woont niet met het eedle Hert te saam;
De Sperwer is op 't nest des Arends niet te vinden;
Gelijken moet het Echtsnoer binden!
 Zoo werd het bij Natuur en Maatschappij verstaan!"

Wolf sprak het. Niets kreeg Ot te weten
 Van 's Grijsaards Ridderstand, en vrome wapendaan,
Bedreven toen 's Mans jeugd in 't harnas werd gesleten;
 Hij vangt zijn répliek dus als pleiter, deftig aan,
Met Vader Wolf een Sant te heeten,
En hem, voor 't minst, den rang van Koning toe te meten.

 Vergeefs wordt de aanspraak op een plaats in d'almanak
door Wolfs beleefdlijk afgewezen;
 Vergeefs zet hij 't gezigt, bij nieuwen aandrang, strak:
"'t Is louter needrigheid!" Ot laat zich niet belezen,
 Dat hij de stralenkroon van Wolf verloren geev':
 Sint Kufus groet hem, of hij WIL of NIET wil, Neef;
En, waardig, door haar Deugd, om op een Troon te prijken,
Hoeft Agnes, in Geboorte, ook geen Vorstin te wijken!
 Dit staat onwrikbaar vast!"

                             GIJ - of ik langer schreef -
 Gij, wier opmerkzaamheid mij nog ter zijde bleef,
Hebt reeds _acces_  VERLEEND!

                               Wolf GAF het ook. De lippen
 Van minlijke Agnes spraken uit,
Wat, vóór haar, Klara's mond liet glippen;
 En Heel zag nooit een schooner Bruid.


Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina