A.C. W. Staring

De Grot en de Pelgrim

   Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd
   Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert,
En, in een spelend licht, gebroken op de plassen,
Met heller verwe blinkt; 't lacht al, bij 't zoet verrassen,
   Den moeden Pelgrim toe! Een zwaluw, die aan 't rond
   Van 't hoog gewelf haar vredig nest verbond,
Ontglipt haar kroos, om op een groene rank te springen,
En haren Gastvriend blij haar groete toe te zingen.
  Ook 't nijvre bijenvolk, dat buiten in den steen
  Zijn schuilplaats heeft, komt op en dwarrelt om hem heen.
Haar vrolijk brommen heet hem welkom in zijn woning,
En noodt hem op 't geregt van verschgegaarden honing.