AAN MIJNE DENNEN

A.C.W. Staring
Vloot oudtijds aan der EIKEN tronk
    GEHEILIGD druivensap;
Deel gij, op Pijnboom, mijnen dronk
    Uit ONGEWIJDE nap!

Uw deugd bepaalt dit eerbewijs;
    Geen Luim, die 't nieuwe preekt
Die nu 't Milaansche Popelrijs;
    Die dan 't Atheensche kweekt

U hongert naar geen weeldrig land:
    Gij kleedt het naakte duin,
En houdt om Zwedens poelen stand,
    Als om der Alpen kruin.

't Zij schip of roeibark op den plas;
    Gij biedt ze uw diensten aan.
Gij helpt, als wiek, de snorrende as
    Van duizend raders gaan.

De toren heft zich op naar 't zwerk,
    Gestevigd door uw kracht.
Gij schoort, in 't slib, zijn metselwerk,
    En overleeft uw vracht.

Gij wekt de ontslapen haardsteevlam,
    En 's winters guurheid zwicht.
Der vondrijke Armoe' schenkt uw stam
    Een toorts, die voor haar licht.

Waar gulle vreugd de citer stemt;
    Waar harptoon ons verrukt,
Wordt GIJ aan 't maagdenhart geklemd -
    Van maagdenknien gedrukt.

Het Noorden, door uw schors gevoed,
    Brengt u, den Redder dank.
Het Westen huwt, met blijder moed,
    Uw geuren aan zijn drank.

Wanneer 't vijandig jaarsezoen
    Het lied der velden smoort;
De kraai, op 't jeugdig akkergroen,
    Alleen het zwijgen stoort;

Hoe pronkt dan, tusschen 't weeklijk kroost
    Van 't afgebladerd woud,
Uw heldenrij, het ijs getroost,
    En met den storm vertrouwd!

Hoe strekt gij dan, in fieren stand,
    Den onverwelkbren tak:
Bij windvlaag oms ten luwen wand;
    Bij sneeuwvlaag ons ten dak!

Dat wild gerank en stekelruig
    In andre bosschen tier';
Het moeilijk pad in kronkels buig';
    Voor 't naauwe doorzigt zwier';

Gij bant elk hindrend warrelnet
    Uit uw gewijden kring;
Gij spaart den voet bezorgden tred;
    Het oog verbijstering;

Gij spreidt, in uwe ontelbre schaar
    Een grootsch geheel ten toon,
En boeit den stillen wandelaar
    Door hartvereedlend schoon.

Zoo rigt dan, rigt uw zuilen op -
    Breidt uit uw schaduwnacht,
O Pijnen, om een heuveltop,
    Die mijn gebeenten wacht'!

Geen ijdle trots verhoog' den zerk,
    Noch sparre d' opgang toe.
Het landvolk ruste er van zijn werk,
    Als ik van 't leven doe.

Aantekening. Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina