Eduard van Gelder

Bruidegom van Catharina van Beijeren.

A.C.W. Staring

aanteekening
't Is vreugde aan Ruwaard Albrechts Hof;
     In Hollands palen vreugd.
Hoogfeestlijk staat de zaal gesierd,
Waar Catharijn heur huwlijk viert,
     Omstuwd van eedle jeugd.

Zij, 't eelste bloemtjen dat daar prijkt.
     Wies op voor Eduard:
Een vorstlijk eehtsnoer knoopt den naam
Van Beij'ren en van Gelder saam';
     Naar wensch van Albrechts hart.

"De Leeuw van Holland staart niet meer
     Vergramd naar 't Veluwsch woud!
Waar Broeder tegen Broeder stond,
Verkeert dit heuglijk Trouwverbond
     Een ijzren tijd in goud!

De roofpest is uit stad en dorp -
     Uit burgt en stulp gevloôn.
Van Guliks rijzende akkers aan,
Tot daar de zilte baren gaan,
     Oogst vreedzame arbeid loon!"

Dit spelt de Hoop aan 't juichend volk!
     Maar met zijn jubelgalm
Vermengt zich aaklig wangeluid,
Dat krijschend op gewelven stuit,
     Vervuld met kerkerwalm.

Wie is 't, die daar de stonde vloekt,
     Waar Eduard naar haakt -
De Vrouw, die hem haar moorder heet -
Nu diep gebukt zit onder 't leed -
     Nu weêr van woede blaakt?

't Is Hezes jeugdige Echtgenoot;
     Het oog van 't Arnhemsch hof;
Tot pronk haar effen tooi verving -
ze aan Verleiders lippen hing,
     Gelokt door vaischen lof -

Die eindlijk pligt en eed vergat, -
     Een buit van Eduard! -
Zijn afzijn liet haar weerloos staan;
Daar greep de wraak des Mans haar aan,
     Zoo wuft tot wraak gesard!

Hij stiet haar, onder kloosterdak,
     Ten diepen kerker af.
Het knagen van heur zielenwond -
De wroeging, die haar bloei verslond,
      Acht hij te min een straf

"O leven, dra ten eind gesneld,
     Wat blonk uw morgen schoon!
'k Genoot tevreen de gunst des lots.
't Bezit van Heze was mijn trots!
     Hij zag in mij zijn kroon! -

Ons Dorpje gold me een Koningsert.
     'k Had aan geen hoogheid lust.
Tot weldoen was mijn hand gereed.
Mijn dag was steeds naar pligt besteed -
     Mijn nacht verdiende rust.

En 'k heb dat heil voor ù verzaakt,
     Wiens staf een roofgoed is!
Die d' oproerstander hebt geplant,
En greept, met een bebloede hand,
     Uws Broeders erfenis l

En STRAFLOOS had me uw snood gevlei
     Geluk en eer ontrukt
Op rozen ging uw weg ten Trouw;
Terwijl uw offer jamm'ren zou'
     In 't stof der smaad gedrukt !"

Zoo kermt zij nog, met flaauwe stem,
     Heur derden, laatsten nacht.
Zij roerde aan waterkelk noch brood:
't Is naar den beker van de Dood,
     Dat zij verlangend smacht.

Dien dronk ze! - En aan dat woelig strand -
     Tooneel van vreugde en praal -
Waar Hollands schittrende Adelstoet
Des Ruwaards Telg als Bruid begroet,
     In Floris Ridderzaal -

Daar landt een ruiter spoorslags aan!
     Hij naakt den Bruidegom:
"Heer Hertog! red uws Zwagers erf!
De magt van Braband spreidt verderI,
     Door 't Guliksch Vorstendom!"

Dit fluistert hij. - Naar 't strak gelaat
     Des Hertogs oogt de Bruid;
Oogt Albrecht met zijn gastenschaar:
Hun oor verneemt de ontvangen maar;
     En 't feestgewoel heeft uit.

De bruiloftsdisch wacht vruchteloos,
     Hem die ten zadel springt;
Dien ras, bij wild trompetgeschal,
Een roembegeerig heldental
     Op Guliks grens omringt.

Niet lang! de grens week achter hen:
     De Landzaat, aan hun zij',
Toog welgemoed ten strijde voort;
Gehinnik werd door 't bosch gehoord;
     De Vijand was nabij !

Niet lang! vermengeld veidgeschreeuw
     Klonk langs de heuvels weêr:
De schaal, aan 't zwaard gehangen, WOOG;
En steeg voor Willem naar omhoog,
     En zonk voor Wentsel neêr!

Maar, zwichtte, in 't bloedig worstelperk,
     De Vorst van 't Guliksch Land,
Zijn HELPER week, maar zwichtte niet!
Hij wrong, waar 't bosch aan 't slagveld stiet,
De heervaan weêr in 't zand.

"Terug nu!" dreunt zijn roep "terug,
     Met scherper kling en speer!
Geen WOERINGEN - geen oude blaam
Kleev' morgen nog op Gelders naam!
     Geen EERSCHULD drukke ons meer!"

En zie! van nieuws geschaard, in 't woud,
     Dat knecht en ros verborg,
Hervatten zij op eens 't gevecht! -
En Braband waande 't pleit beslecht,
     En joelde, zonder zorg:

Men snoefde, bij den vollen kroes
     Te saamgeschoold in 't wild;
Men spot met Gulik, spot met Hem -
Die plotslijk aanstormtt op wiens stem
     De schrik een antwoord gilt !

Het krijgsvolk, bij den wijn verrast,
     Grijpt noode weêr zijn zwaard:
Ontbloot van hulp, schiet Kuyk te kort -
Ligt Brussels Steêvoogd neêrgestort -
     Zijgt ook Sint Pol ter aard' !

Vergeefs houdt Brabands Hertog moed,
     Waar zulk een Drietal faalt!
Aan 't eind van te ongelijk een strijd,
Is Wenceslas de vrijheid kwijt -
     DE SCHULD VAN EER BETAALD.

Geen vijand meer! 't Werd àl verstrooid,
     Of wentelt in zijn bloed.
En Eduard treedt af van 't ros;
Zit neêr, en gespt den helmriem,
     Door 't vuur des kamps in gloed.

Zijn manschap is ver achter hem:
     Zij draalt nog bij den buit.
Hèm lokte met haar groenend dak
De haageik, die, alleen op 't vlak,
      Het zonneblaakren stuit.

En HIJ, wiens loerend oog hem volgt,
      Komt plotsling vòòr hem staan:
Hij vonnisde een trouwlooze Gaâ -
Vloog herwaarts heur Verleider na -
      Staat dààr - en blikt hem aan!

Een heerknots trilt in Hezes vuist:
      "Echtbreker, sterf!" is 't woord !
De knots vaart neder, als hij 't spreekt.
En strafbren vorstenmoed wil wreekt
       Een strafbre vorstenmoord.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.