Eleonora van Engeland

GEMALIN VAN REINOUD DEN TWEEDEN, EERST GRAAF, DAARNA HERTOG VAN GELDERLAND.

A.C.W. Staring

Aanteekening
"Steek vanen uit van iedren top,
    Gij Burgstad aan de Waal!
Reeds flonkert, langs uw heuvlenrij,
    De Hoogtijdsmorgenstraal.

Het waslicht in uw Slotkapel,
    Met d'ochtendglans vereend,
Blink', weêrgekaatst van de altaarpracht,
    Op 't grijze muurgesteent'!

Het waslicht in uw Slotkapel,
    Met d'ochtendglans vereend,
Blink', weêrgekaatst van de altaarpracht,
    Op 't grijze muurgesteent'!

Tooi' frissche palm de Ridderzaal,
    Die Cezars, voetstap heugt!
Verkondig' helder klokgeklep
   Uws Graven Bruiloftsvreugd

De schoone Eleonora komt;
    Aan Reinouds min verpand:
De Koningszuster - Koningstelg!
    De trots van Engeland !"

Zoo klonk het! en de Stoet verscheen,
    0 Burgstad, voor uw wal:
Door 't poortwelf opwaart, toog hij in,
    Begroet van blij geschal!

Het Valkhof juicht; de Looverzaal
    Hernieuwt het wellekom;
Van grover feestklokgalmen dreunt
    Sint Stevens Heiligdom;

En murmlend baauwt de Slotkapel
   Het toongedommel na,
Tot zegen volgt, aan 't Echtaltaar,
   Op 't onherroeplijk Ja.

Nu draalt de Jonglingschap niet meer!
   Met schutterlijken pronk,
Verzelt hun Schaar den Eerewijn -
   Des Graven Bruilofstdronk.

En achter hen, den Burgtweg langs,
   Volgt tromgeraas en fluit:
Ontelbaar krielt een kindsche jeugd
   Met vlaggenzwier vooruit,

De Gild-os zet, in 't woelig spoor,
   Zijn loomen waggeltrat.
Aan hoef en hoornen siert het goud
   De Huldegift der Stad;

Der Stad, die haars Gebieders vreugd
   Als eigen vreugd geniet;
En de Armoede ook, het Paar ter eer,
   Geen laafnis derven liet.

FEEST was 't in Reinouds Hofzaal! FEEST
   "Vas 't onder schamel dak!
't Gejoel ging op, bij fakkelglans,
   Toen 't hemellicht ontbrak.

Het zwerk, met nieuwen avondgloed
   Bepurperd door dien schijn,
Gaf Leonora's hruiloftspraal
   Te zien aan Maas en Rijn.

En tweemaal kroonde 't wisslend jaar
   Den onvergeetbren Dag;
Daar tweemaal in den moederschoot
   Een Zoon van Gelder lag.

En tienwerf spreidde een andre Mei
   't Her boren gras ten toon;
En Reinoud, vriend van Lodewijk,
   Droeg nu een trotscher kroon:

Als Hertog zat hij in zijn Burg;
   Om hem zijn grijze Raad;
Het peinzen in den strengen blik -
   Den rimpel op 't gelaat.

En, zie! daar kwam - (den voorhof op;
   Ter burgt waar Reinoud zat)
Een Moeder kwam, wie te elker hand
   Een Kind - een Zoontje trad.

Zij, die - met nieuwen blos gesierd -
   Van 't bed der smart ontboeid -
Versmaad werd door een wuften gaâ,
   Wiens hart van sluikmin gloeit.

Ach - zij! op wie een lasterpijl
   Te schaamtloos was gewet:
"Als heelde ze onder 't boezemkleed
   Een ongeneesbre smet."

Zij kwam daar met haar Telgenpaar
   Ter hooge raadzaal in -
De Moeder! schooner door haar smart!
   's Lands eedie Hertogin!

Verward springt Vorst en Raadskring op!
    Eleonoor houdt stand:
Ze onttrekt, van spraakloos wee geschokt
    Zich aan der Kindren hand;

Zij rukt het huilend sluijerkleed,
    Met tieren smaad in 't oog,
Ten ongevlekten boezem af,
    Dien lastertaal beloog!

Straks dekt verdubbeld floers haar weêr,
    En de angst van 't hart breekt uit.
Als nu haar bleekbestorven mond
    Ter Godspraak zich ontsluit.

"Hoor" spreekt zij "wispelturig Man,
    Die mij zoo wreed verstiet!
Mijn woord tot u verkondigt straf! -
    't Is GOD, die 't mij gebiedt!

Hoor, Gelder! Met uw Tweeta! gaat
    Die Naam, die Stam voorbij,
Wier voortduur hing aan 't Meerdertal,
    Dat gij verwierpt! in Mij!

Hoor, Gelder! 't snoer der Liefde
    brak Uw trouwvergeetle hand:
Dit Kroost, bij huistwist opgewiegd,
    Scheurt eens den Broederband.

In dubble heerschaar staat het Volk
    Naast hen ten strijd onteend;
En 't jammer, dat al 't Land vervult,
    Gaart vloek op uw gebeent'!

Zoo DREIGT Gods roê! Maar gij . . . ons Bloed ! . . .
    Bidt mët ons! bidt genaâ!
Aan 't smeeken van uwe onschuld hangt,
    Dat zij meêdoogend sla."

Hier zweeg ze, en ging. Den Hertog vloeit
    Het doodzweet van 't gezigt;
En siddrend buigt zijn knie voor Hem,
    Die slaaf en koning rigt.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.