A.C.W. Staring

Het Bezoek van Fohi

Daar reisde een Man; ('t is wijd van hier
   Voor jaar en dag gebeurd)
Zijn rug was krom, zijn baard sneeuwwit,
   Zijn schaamle rok gescheurd.
Door 't avondduister liep zijn baan
Op 't hutjen van een Weduw aan.

Behoefte woont daar bij de Vlijt;
   Maar gastvrij is 't onthaal:
Geen laafnis faalt den Reiziger -
   Geef krachtherstellend maal;
En 't leger, voor hem toebereid,
Heeft, die 't hem bood, zichzelve ontzeid.

Zij WAAKT, en zorgt voor 't nieuwe kleed,
   Hem mildlijk toegedacht.
De Weefster neemt het van een web,
   Die op een koopman wacht,
En legt het, eer het donker zwicht,
Ter sluik, waar 't afgedragen ligt.

Zijn afscheidsgroete brengt haar Gast,
   Zoo dra de morgen blinkt.
'God loone u!' spreekt hij; maar dan volgt,
   Wat als een raadsel klinkt;
Het luidt: 'En 't geen gij EERST begont
Dat hou niet op, voor de avendstond.'

De Weeuw staat peinzend op die woord -
   Doch ledig blijft zij niet:
Zij meet, wat van haar Webbe nog
   Tot koopwaar overschiet; -
En 't Web . . . golft zonder eind haar toe!
En eindloos meet ze - en wordt niet moe!

En bergswijs hoopt het Doek zich op,
   En maakt steeds plaats voor meer;
En, rees een stapel tot het dak,
   Een nieuwe rijst alweer:
Als de avendzon het west verguldt,
Is 't hutjen van een Schat vervuld.

'Dank, Fohi!' stamelt zij, geknield,
   Die nu eerst knielen kan. -
Ja! Fohi zelf bezocht haar stulp,
   Vermomd als Reizend Man:
Weldadige Armoe loonde hij,
De Vlijt is van haar zorgen vrij!

Doch ras vername een RIJKE Weeuw
   Het wonder hier geschied.
Al is zij rijk, zij gunt dien schat
   Aan zijn bezitster niet:
Zij meent, van 't hare ging het af
Wat Fohi goeds aan andren gaf.

De Grijsaard, dringend aangezocht,
   Keert thans tot HARENT in,
Waar DIERKOOP Weefsel op hem wacht,
   Opdat zij meer gewinn'
Haar dienares doorwaakt den nacht,
En 't zedig reiskleed zwindt voor pracht!

En, vroeg, gelijk in de arme hut,
   Bereid ten verdren togt,
Herhaalt heur Gast het afscheidswoord,
   Dat zulk een Wonder wrocht:
Bij HAAR wordt mee ten slot gehoord
'Wat ge aanvangt duur' tot d'avend voort.'

Zij staat reeds, waar zij 't overschot
   Van 't WEB geborgen heeft;
Maar slaat, vergramd, door 't SPINNEWEB,
   Dat voor de bergplaats zweeft;
En 't EERSTE WERK, door haar gedaan,
Houdt straks - met eindloos RAGEN - aan!

Hoog stapelt zich het GOEDKOOP WEB,
   En maakt steeds plaats voor meer;
En, roert een hoop den zolder aan,
   Een nieuwe klimt alweer;
En 't Rag berst, als de kim zich sluit,
De Raagster na, heur woning uit.

Geen Fohi geeft in ONZEN tijd,
   Aan Deugd of ONDEUGD loon,
Men ziet geen groeijend Wonderweb,
   En geen vermomde Goon.
Maar Hebzucht, die zichzelv' bedroog,
Vertoont zich daaglijks voor ons oog.

Aantekening