A.C.W. Staring

Folkert van Arkel

samenhangend met Adolf en Emma

In Haestrichts wal, voor 't grijze slot,
   Nabij den lindenstam,
Die 't burgplein, als de middagzon
Den rug der hooge daken won,
   In zijn beschutting nam;

In Haestrichts wal zal Folpert aan,
   Met menig speisgezel;
En wat daar op en schenkdis blonk.
Was goud, dat eens de godsvrucht schonk,
   Aan klooster en kapel.

En 't Maal, den woesten hoop bereid,
   Werd met geen jok gekruid:
Bij 't razen van den bekerstrijd,
Vaart spot, die 't heilig driest ontwijdt,
   Hun ruige lippen uit.

Toch slaakt de tong van Haestrechts Heer
   Alleen een spaarzaam woord:
De stuiptrek om zijn bleeken mond
Verraadt, welk beeld weer voor hem stond;
   Welk jammren hij nog hoort.

Maar eindlijk mee door 't vuur ontgloeid,
   Waarvan zijn gastrij blaakt,
Herleeft in Arkels ijzren borst
De kracht, die lagchend bloedschuld torscht,
   En menschlijkheid verzaakt.

"Hebt dank, Getrouwen!" heft hij aan
   "Met wie zoo menig keer
Mijn zwaard een vetten krijgsbuit won,
Dien Priester-banvloek redden kon',
   Noch Mannen-tegenweer.

Hebt dank, die willig aan mijn disch
   Als om mijn vaan verscheent!
Te lang reeds had geen nieuwe togt -
Geens berkemeeijers lavend vocht
   Ons broedertal vereend

Ik lag van zwoele minnekoorts
   Onroemelijk vermand:
Het grillig Wicht, dat Adolfs trouw
Op 't Gelders Vreefeest kroonen zou',
   Was stookster van mijn brand.

Zij bood mij trots, en deze dolk
   Had haar dien trots betaald:
Ziet daar, van 't uitheemsch oorlogsveld,
Den Bruidegom terug gesneld,
   Waar nu de Bruiloft faalt!

Door wraaklust naar TerLee genoopt
   Rent hij zijn schaar vooruit:
""De Held - wiens faam de Po verkondt! - ""
Waagt zich ALLEEN op Arkels grond;
   Niets roert zich wat hem stuit!

Zijn pluimtop woei van ver te zien;
   Ik veinsde schrik en vlugt,
En volgde 't schuilend burggezin
De donkre kluis een torens in,
   Op 't naadren hoefgerucht.

Lang dreunt zijn zoeken boven ons;
   Nu klonk het ons voorbij;
Wij sluipen achter hem aan 't licht,
En 't staal houdt elken uitgang digt;
   Maar vruchtloos waakten wij:

Hij zòcht, hij vònd het kerkergewelf,
   En keerde niet van daar!
De beker schuimt voor HEM niet meer! -
Vul, tot de kim, den mijnen weer -
   En doe 't nog vijftig jaar!

Vul aan, nog eens!" De schenker draalt,
   En Folpet wendt zich om;
En die des schenkers plaats vervult,
Een Onbekende, in zwart gehuld,
   Treedt toe, en maakt hem stom.

Zijn kleed is niet ten dienst geschort;
   Geen kruik is in zijn hand;
Zijn borstlig haar stijgt woest omhoog;
De norsche wenkbraauw drukt zijn oog,
    Dat diepverholen brandt.

Hij komt! het gras welkt voor zijn voet;
    Het loof rilt boven hem;
En, als hij nu voor Folpert staat,
Grijst tijgergrim op zijn gelaat;
    Brult hij met holle stem:

"Ik ben 't" - Moorddadig klaauwenscherp
    Strekt hij naar Arkel uit;
Verscheurend slaat hij 't in zijn leen;
En, door 't ontvlamde luchtruim heen,
    Verzwindt hij met zijn buit.

Aantekening