A.C. W. Staring

Gelderland

 Gij Bergen!... Heuvels acht de Faam,
Bij vriend en vreemd te klein een naam,
Voor Heerschers over meer verschiet,
Dan eigen erf den landzaat biedt! --
Gij Bergen! van 't gewolde vee
Beweid, en van 't gehorend ree!

 Gij vruchtbre Dalen, waar de zon
Haar schichten koelt in bron aan bron;
Waar 't veldgebloemte vroegst ontluikt,
En langst aan winters magt ontduikt;
Waar Echo, als de meimaand keert,
Den zang van duizend vogels leert.

 Gij Bosschen, die daar tusschen 't graan,
Wanneer de sikkels veldwaarts gaan,
Op nieuw versierd met lenteblad,
Smaragd gelijk, in goud gevat!

 Gij Beken, eeuwigvloeijend glas,
Dat snelt naar Rijn- en IJsselplas,
Maar toeft aan 't scheipunt van hun val,
Onzeker wien het volgen zal,
En, beurt om beurt, door 't schoon verleid,
Zoo mild langs ieder boord gespreid!

 Gij Paradijs! van 't morgenland
Naar 't golventemmend west verplant...