HET GELUK

A.C.W. Staring
"Die hem laet ghenoughen in dat hij hèift,
Es de rijckste man die ter waereld lèift'."

ANDR. VAN DER MUELEN
Een zuverl. Boucxk. enz. 1543,
Fol. 38 vso.

Wat baat den stervling al zijn zwoegen?
   Wat noopt de waan hem vroeg en spaa?
Wat klimt hij 't lokkend schijngenoegen,
   Van rots tot rots, aamechtig na?
In 't eind op hachlijk steil verheven,
   O arme vreugd! hij staart in 't rond,
Om fluks weer naar een kruin te streven,
   Gezien van breeder horizont.

Een Dwaze hang', met gierige oogen,
   Aan roem, of magt, of goud, of eer;
Tevreen in 't lot haar toegewogen,
   Knielt stille Wijsheid dankend neer.
't Geluk is veil voor zweet noch zorgen;
   't Ontvlugt hem, die naar hooger staat;
Maar toeft, in 't schuilen dal verborgen,
   Als huisgenoot, bij middelmaat.

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.
Naar de Coster-pagina.