JAROMIR GEWROKEN

A.C.W.Staring

 't Werd geeuwen links en regts! en de arme Jaromir,
Op dit signaal, moest, half gejaagd, gaan dwalen,
 Om over d' Apennijn, driehonderd mijl van hier,
Pardon bij Sint Michiel te halen.
 'k Zeg over d' Apenijn! van bee- tot bedehuis
 Laveerend; vaak in 't scherpe keizelgruis
Een bloedig merk met naakte voetzool drukkend;
 Vaak, afgemarteld, onder 't kruis
Van honger, koude of hitte bukkend.

 Dat zeg ik! en mijn vraag is nu:
 Gesteld eens, Vrienden, dat ik u
Niets meer van onzen Man berigtte?
Dat ik den Leelijkert, die zoveel onheil stichtte -
 Den Klepelsmijter! - den Verleider! - zonder iet
 Wat naar correctie leek victorie PAUKEN liet?
Kon' dat misschien ontknoping heeten?
Was dat het Regt bediend, naar 't Wetboek der Poëten?
 Gij stemt mij toe: dat kòn' - dat wàs het niet!
En, praat ik weder, zulks aan keuvelzucht te wijten
 Misbillijkt gij: van 't geen mij dubble pligt bebiedt
Moet ik mij, blijkbaar PRATEND kwijten.

Daar, waar Garganus bergkruin ziet Naar 't golvend zuid, geviel 't, voor lange jaren, Michiel, d'Achangel, zich een Heilig te verklaren. 't Luidt vreemdt; maar voor dengeen, wien 't aan geloof ontbreekt, Bestaat de Grot, waaruit de Heilig spreekt - EERTIJDS ten minste SPRAK! als nu, voor 's Pelgrims ooren, De schuldvergiff'nis, na de boete, zich liet hooren. Zij galmde nog door 't vreeverkonden Hol, Toen om 't mirakel te voltooijen, De fletse wang des Boetlings eenslags bol En rood werd, als voorheen; zijn buik weer uit de plooijen Ten stalelijken cirkel zwol. En KEERT dus; maar volhardt, uit demoed, in 't voeteeren; En, stapt hij ook, om zijn herkregen vet Niet, roekloos, weer door zweeten te verteren, Met priesterlijk bedaarden wandeltred, Toch daagt, ter zijner tijd, de stompgedakte toren Van 't Stadjen op, waar thans Een onverwelkbre lauwerkrans Zijn schedel toeft, die daar tevoren Een bluts ontving. Doch, eer hij verder stapt, is 't noodig dat wij hooren, Wat, aan dien oord, sinds hij ter beevaart ging, Sjeur Tenterkwaad begon. 't Was straks na 't medevieren Der Kersnacht, op ZIJN wijs, dat hij incognito, Vermond als katuil, boven Lochem rond kwam zwieren. 't Hoog spaandak naast de kerk doorborend, loerde zoo Zijn blik ten leste ook in een slaapstee. Die daar woelde - De Kapellaan, gehuisd bij d'ou' Pastoor - Smeet, of een mierenschaar hem over 't lijf krioelde, Zich, onder diep gezucht, van 't een op 't ander oor. Wie had de schuld? De frissche Leonoor! Doch zonder dat zij 't wist. De goe Begijntjes noemden Het Meisje Zuster, en beroemden Van afgunst vrij, zich op den kostbren schat, Dien 't arm Konvent in 't vlijtig Kind bezat. Maar, wat haar binnensmuurs een eerkroon had geschonken, Stond op de cedel der verdiensten niet gemeld, Die onzen Kapellaan te klaar in de oogen blonken. Hij had de Non, zelfs in verbeelding nooit verzeld, Als haar huisorde of de Mater riep tot pligten, Waarvoor straks eigen wil bij Leonoor moest zwichten; Doch naarstig had hij ze, uit zijn vliering-cel bespeid, Wen ze in den moestuin zich somwijlen kwam vertreden. Was effen Grijs heur drag, HAAR bleek een dragt te kleeden, Die 't zachte van heur blos onoverschitterd liet. De zwarte Keuveltimp, zich op heur voorhoofd krullend, Verhief heur blank nog meer. Twee spelden (naar de wet, Door zuster Hill' - van kuif wat hòòg blond - ingezet), Heur bruine vlecht in lijnwaadplooisel hullend, Verwekten spijt; maar 't schoon van Nora's voetjes WON, Bij 't streng gebod, dat hun den schoepronk van die dagen Ontberen liet. En op die voetjes werd de Non Zoo zwevend ligt daarheen gedragen, Of ze, als 't gewed was, vliegen kon'. Steeds koortsiger, nam uit zijn sterretoren De Vriend dit alles waar; ook klonk, te middernacht, Hem weer, bij 't Kersgezang, die tooverstem in de ooren, Waarmee het lieve Kind elk hart in oproer bragt! `Ach, had geen beulenhand mijn schedel plat geschoren! En stond mij 't vrijen vrij! en dat ik uit de borst Haar wat mij pijnigt klagen dorst! - Dat Zij, bewogen door mijn beden, Mij kroonde met haar gunst!' Hier was het jammrend `ach' Des aanhefs ook het slot; en, die naar onder zag, Door 't steile huisdak, schiet, ontkatuild, naar beneden! - `Help, Heeroom, help!' Eilaas! al 't helpen kwam te laat: De Kapellaan blijt - overheerd door Tenterkwaad - Een voorwerp om in 't gasthuis te besteden! Hij kruipt te negen uur de dekens preevlend uit. Geen VADERONZE, waar zijn mond zich mede ontsluit Hàlf schijnt het de ENGELGROET; doch, eer men 't voluit hoore, Is 't beter doof te zijn! MARIA groet hij NIET; Maar _`Ave, ave, Leonore!'_ Herhaalt hij, tot gebrek aan asem 't hem verbiedt, Geknield voor 't venstertjen, dat in den Moestuin ziet. Ten laatste, hij kwam af; slof - slof; het hoofd gebogen, Als of hij langs den Berg naar Diamanten zocht. Leonoor, met licht bekleed, stond voor zijn BREIN; omtogen Met digten nevel stond al 't andre voor zijne OOGEN. Hoe luid een strafpreek op zijn oorvlies trommlen mogt, Doof bleef hij! slechts vernam zijn geest het stadig weemlen Van 't Kersnachtlied, dat hem verrukt deed heemlen. En 't kluchtspel, dus vertoond, was niet met èèns gedaan: Zijn kwaal liet door reliek noch klysma zich verjagen! Zelfs teelde 't voorjaar nog bij de oude nieuwe plagen. De buurten rond zwier thans de Kapellaan - Keek stijf in zijn brevier - en hief een deuntje aan: `Leonoret, schoon rozekijn' begon het. Wanneer 't een jongenstroep, van ver hem nagegaan, Mee blaarde, zijn _crescendoe_ won het En zong 't alleen ten einde - tot den dag, Dat Jaromir hem hoorde en zag. Straks werd hij stom! en hukkende in de struiken Dacht hij den naadrende, als het hoen der wouw te ontduiken. Bedrogen hoop! 't instinct, gescherpt door wraaklust, had Den Pelgrim reeds gediend! Het leidt regtweegs zijn schreden Naar 't boschje; en wààrom hem, met sidderende leden, De Liedjeszanger tegentrad? - Die in hem siddert heeft den aanvang reeds vernomen Van d'onweerstaanbren Ban! den Ban, den Ban, dien hij ontkwam, Toen hij zjn vlugt door Zutphens kerkmuur nam, Doch, in dit uur, niet zou ontkomen! Het magtig Formulier werd des van woord tot woord, Al tandeknersend door den Booswicht aangehoord; En, uit den Kapellaan met huid en haar geweken, Steeg hij (afschuwlijk in zijn helgestalt') naar 't hoog; Toen dààr de Schildwacht Sint Michiel hem tegenvloog! Plots heeft de luchtruis uit; zijn spierkracht is bezweken; Hij tuimelt neer, en boort nu, 't hoofd omlaag, in de aard; Maar de exorcist, die hìèr den pas bewaart, Grijpt toe; houdt bij den slingerstaart Met halve lijf terug; en 't koord, dat om 's Mans lenden Met zulk een klem, als nimmer menschenvleesch Verduren moest, van knoet of bullepees. De Lijder slaat, zijn molgat in, aan 't huilen, Dat de antipoden zich ontzetten! dat de zuilen Van 't Pandemonium als zwakke rieten staan Te beven. Jaromir geeft weinig om dat piepen! VERGEEFS vangt klaauw en horen staag weer aan met wroeten, om den weg naar 't onderaardsch te diepen! De pestkwalm, van den Schreeuwer uitgegaan, Spreidt VRUCHTLOOS een bedrieglijk duister: Geen slag die misvalt, van tweehonderd, wel geteld; Waarmee bediend, de Guit werd vrijgesteld. Zòò stapt de Pater, overstraald van zegeluister, Door Lochems Poort! Zòò lag voor onzen Held Zijn trotsche Weerpartij geveld! De strafplaats heet, van dien dag af tot dezen, Naar dat gestaarte deel, waarom het gordeltouw De wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen. `En nu de Kapellaan? -' Die keek sinds naar geen Vrouw, Of 't moest een bes van tachtig wezen.

Aantekening.
Bezorgd door Joachim Verhagen
Opmerkingen aan: coster@dds.nl
Naar de Coster-pagina