Minerva greep haar oorlogspeer;
"Ten strijde !" was haar kreet;
Een Konings-hand gaf ons 't geweer;
Wij zwoeren Krijgsmans-eed:
Wij zwoeren Vorst, en Orde, en Wet
Eene onverbreekbre trouw,
En hebben 't leven opgezet,
Voor Neerland en Nassouw'.
Heft aan, gij horens! Galme uw koor
Een antwoord op ons lied:
Het galme een valsch gespuis in 't oor,
Dat loerend op ons ziet.
Wie zijn t die daar vijandig staan?
Zij dragen 't merk der schand' -
Met eer ontrolt zich ONZE vaan
Voor 't Regt en 't Vaderland !
Het snoer dat muiters samenbindt,
Die taal en oorsprong scheidt,
Is plunderzucht; hun trouw verzwindt
in 't uur van tegenheid;
Maar verwe ons bloed het slagveld rood;
Maar grijnze alom 't gevaar;
Vereend staan wijl in nood en dood
Een trouwe Broederschaar.
Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869
[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
ljcoster@dds.nl.