Lied
voor de Edelhartige Jongelingschap
onzer Akademien en Athenaeums,
in 1830 vrijwillig tot den krijgsdienst overgegaan.

A.C.W. Staring

Minerva greep haar oorlogspeer;
     "Ten strijde !" was haar kreet;
Een Konings-hand gaf ons 't geweer;
     Wij zwoeren Krijgsmans-eed:
Wij zwoeren Vorst, en Orde, en Wet
     Eene onverbreekbre trouw,
En   hebben 't leven opgezet,
     Voor Neerland en Nassouw'.
Heft aan, gij horens! Galme uw koor
     Een antwoord op ons lied:
Het  galme een valsch gespuis in 't oor,
     Dat loerend op ons ziet.
   Wie  zijn t die daar vijandig staan?
   Zij dragen 't merk der schand' -
   Met eer ontrolt zich ONZE vaan
     Voor 't Regt en 't Vaderland !
Het snoer dat muiters samenbindt,
     Die taal en oorsprong scheidt,
Is plunderzucht; hun trouw verzwindt
     in 't uur van tegenheid;
Maar verwe ons bloed het slagveld rood;
     Maar grijnze alom 't gevaar;
Vereend staan wijl in nood en dood
     Een trouwe Broederschaar.


Uit: A.C.W. Staring, verzamelde gedichten, 1981, A.P. ten Bosch Boekverkoper, uitgever Zutphen, herdruk van de volksuitgave uit 1869

[A.C.W. Staring pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: ljcoster@dds.nl.